Let me tell you about Sweden

25 jul 2011, 16:14

Let me tell you about Sweden

De kinderen waren even zwemmen. Ondanks 12 graden Celsius, ondanks motregen. Zij waren vele malen dapperder dan hij.
Voor de kinderen was een mogelijke ontmoeting met een eland een grommend onderbuiks verlangen en reden voor een mooie anticiperende tekening. Voor Roman een mogelijk hard slingerend remmen, een enorme knal en de lauwwarme, borrelende, gistende en stinkende inhoud van de ingewanden van het dier gutsend door de voorruit, in zijn schoot. De kinderen werden onweerstaanbaar aangetrokken door de drie adders onder de veranda van hun stuga. Roman zag ze onder hun kussens en in hun laarzen, dientengevolge opgewaardeerd tot een wilde rit tegen de klok naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis, waarvan de dichtstbijzijndheid feitelijk waar maar betekenisloos, in voorkomende gevallen.

Hoewel hij trots was op het loslaten van zijn jongste, wiens gecertificeerde zwemvaardigheid hem niet van zijn verantwoordelijkheid leek te mogen ontslaan, al demonstreerde hij die verworvenheid nu buiten zijn gezichtsveld en directe invloedssfeer. En bovendien was zijn tweede, zijn oudste, zoon erbij. Die mocht hij de opdracht tot het voorkomen van rampen niet geven, maar bloed is bloed en wonden lekken. Loslaten, loslaten nu, met verkrampt gebalde vuisten.
Hij tuurde door het raampje van de stuga, al bijna verzoend met het feit, dat hij hier achter het glas verscholen zijn zomer beleefde.
Niet de zomer van de warmte en de zon. De zomer van het verlangend door het raam kijken (Zweeds dubbelglas, nam hij in zijn observatie mee). Alles, het leven, op veilige afstand.
Maar afstand zuigt z’n eigen vacuüm, waarin tijd en kilometers materieloos worden.
Hij schreef Gabriella een brief, over afstand en verlangen, op z’n Slauerhoff’s, van verre prinsessen, verstuurde die nooit, maar was het mooi kwijt, als een gedelegeerde verantwoordelijkheid.
Weliswaar was de kijk op de wereld door één van de 6 door blank Zweeds hout gescheiden delen van het raam ansichtkaartwaardig, met de blauw-blauwer-blauwerigere bergen en de groen-groener-groenste naaldbomen. Maar verstikkend waren ze in hun aantal en eindeloosheid. Achter elke bergrug bleek weer een andere, achter elke bomenrij een volgende. De ruimte van het Zweedse land zou hem lucht en rust moeten bieden. Maar af en toe - en dit was zo’n moment - vloog het hem aan. De bomen die hem één voor één in de weg zouden staan, als hij hyperventilerend op de vlucht zou willen. Als hij zou willen ontsnappen en brede ruime horizonten met grote hoeveelheden zuurstofrijke ademlucht gulzig naar binnen zou willen scheppen. Als hij zou willen gaan waar hij zou willen gaan, terug naar waarvoor hij vluchtte.
En dan was er nog het palet van wolken van alle orden, families en soorten. Samengevat in een stilleven. Ware er iets als wolkenles, dan sierde deze poster zeker de muren van het klaslokaal. Met onderaan de legenda, voor een beter begrip.
‘Let me tell you about Sweden, only country where the clouds are interesting, Big brother says it’s the place to go, Too much time too little to do’: een waarschuwing van Hugh Cornwall die hem al 35 jaar door het hoofd spookte, alsof al die tijd bewust van het onontkoombare aanstaande.
Roman stelde het nu vast. De bevestiging van een jarenlang gekoesterd vooroordeel. Altijd een overwinning.
Er aan toegevoegd de pittoreske rode huisjes, de roze prunes en voilà, voorwaar, een plaatje.
Opeens drong het tot hem door, het waarom van deze twee weken: dit was zijn Zwitserland, zijn Jura.

Mopperend, maar opgelucht dat hij zichzelf mocht ontslaan van zijn niet-verantwoordelijkheid, trok hij zijn jas aan en wandelde, met ingehouden haast, naar het zwembad.
Het weer viel eigenlijk best mee als hij zijn kinderen moest geloven. Een bleek zonnetje wierp zich als glinster over het water van het zwembad, en de kinderen waren toch weer blij hem te zien. Zij vonden het heerlijk. Hij bekeek ze vanuit een vochtige ligstoel (waarom ligstoel, waarom geen lig óf stoel?), demonstratief overdreven weggedoken in zijn jas.
Zweden verried haar ware aard in een flard poolwind.
Hij rilde en glimlachte glorieus.

wegen

3 jun 2011, 00:51

Wegen

Vrouwen hebben wegen.
Onbeholpener dan dat kon hij het niet zeggen. Op het moment dat de juiste woorden elkaar op het juiste moment hadden moeten treffen. Hij kon wel uitleggen wat hij bedoelde, gelukkig.
Maar met zinnen van noeste arbeid, geen gevleugelde woorden.
Net zo als wanneer hij zijn vingertoppen over een ribbelig, ruw oppervlak liet glijden, dat als in de zon smeltende boter zou moeten aanvoelen: romig, glad en weerstandloos. Zijn vingers hobbelden over haar rug, zoals zijn auto die tot stilstand komt bij een verkeerslicht op het door te zware trucks opgeduwd asfalt.
En zijn hele lichaam schudde mee.
Er was altijd een plek op haar lichaam dat hij aan moest raken, zonder twijfel. Hij wist waar zonder waarom.
Hij hervond de wijsvinger van zijn linkerhand in de plooi van haar rechterbil. Hij tilde haar bil even op en liet de vinger er zover mogelijk onder voor een klein moment, daar in haar boter. Dan voelde hij hem gijden via haar bekken, haar lenden, tot op haar rug. Dan met al de andere vingers van zijn hand langs de knobbels van haar graat, via de afslag schouderblad, langs haar jukbeen, in haar nek. Onder haar haar. En een kneepje in haar oorlel tot slot. En vice versa. Elk plekje op de weg had z’n logisch aantal vingers, z’n kant van de hand, palm of muis, z’n druk, een kneep, een aai, een wrijf, z’n snelheid, z’n herhaling. En van zulke paden had zij er velen. Zoals elke vrouw, maar steeds net ietsje anders. Subtiele verschillen van een groot belang. Een pukkel of een putje kon van een groot belang zijn.

Waarom dacht hij het meer dan dat hij deed? Hij was meer bezig met het denken wat hij deed, dan met het doen dat hij deed. Hij visualiseerde de weg van zijn hand. En zij werd een beeld, een sculpture, een schilderij misschien. Met zijn hand als kwast op het doek.
Wellicht was haar huid geolied en glad, wellicht zijn vingers ruw en droog.
Vrouwen hebben banen, paden, van God ingesleten wegen, die de mannenhand leiden, in één eenduidige richting. Dwingend als schoonheid. Omdat ze er liggen.
Hij legt zijn hand op een willekeurige plek op haar huid. Hij sluit zijn ogen. En zijn hand gaat, gedachteloos, inspanningloos, voortbewogen door haar kracht, zwaartekracht, door ten overvloede onzichtbaar genoemde magnetische velden. Als over een Ouija-bord. Van buiten zichzelf gedreven.
Heen en weer zal zijn hand gaan. Keer op keer, niet omdat het moet, maar omdat het zo is. Niet plichtmatig, maar werktuiglijk. En elke keer volgt zijn hand precies hetzelfde pad. En zij kreunt. Van genot, terwijl het maar een eerste stap is naar genot.
Of is het daar waar zijn gedachten verkeerd afslaan? Is het daar waar hij begint te zoeken naar het onvindbare. Of is het vinden dommer dan hij dacht? Is het vinden hier, nu, dit? Dan is het klaarkomen slechts het klaarkomen, als bevestiging van het genot. Het bewijs van de daad. En heeft hij dat ten onrechte heilig verklaard. De verkeerde godin aanbeden. Langs een te lange route naar het bedevaartsoord gelopen om op zijn kapotte knieën te kruipen naar de grot van haar verschijning. Zich te laven aan haar geneeskrachtig water. Het mysterie dat slechts leeft van het verkopen van souvenirs. Om het verkopen van souvenirs.
Gabrielle lag op haar buik over zijn benen heen. Ze kon onwaarschijnlijk zwaar liggen. Haar toch slanke lichaam drukte harder op zijn benen dan op basis van m=g.a verwacht mocht worden. Hoe deed ze dat? Hoe kon zij haar lichaam zo schaamteloos zwaar in zijn schoot laten rusten? Ze deed het met de luchtigheid en vanzelfsprekendheid waarmee ze hem vertelde dat hij haar ongelooflijk lekker had doen klaarkomen. En hij geloofde haar. Ze was zijn grote liefde. Dat wist ie zeker.
Roman voelde zijn bovenbenen langzaam gevoelloos worden. Gabriella’s ribben prikte in het vlees van zijn bovenbenen. Het was ook te warm om zo op elkaar te liggen.
Zijn zware lichaam liet hij nooit volledig op haar rusten, daarvoor was zij te frêle. Hij steunde stevig op zijn ellebogen als hij op haar lag en haar met zijn te harde penis wilde penetreren.
Op een lelijke vette witte hoer laat je je zwetend stinkend lichaam hijgend vallen.
Niet op schoonheid, niet op liefde, niet op porcelein. Als het breekt is het kapot.
Gabrielle merkte dat hij was gestopt. Zijn hand lag roerloos op haar rug. Zijn hand kreeg geen opdrachten meer. Knorrig drukte zij haar lichaam tegen zijn hand. Maar ze vroeg teveel, van hem.

Om te kunnen schrijven moet je een verhaal hebben om te vertellen. En Roman had geen verhalen. Hij had slechts zijn leven, dat nog moest beginnen. Het werd tijd daarvoor. Waar wachtte het leven nog op?
Schrijven zonder een verhaal, is als braken zonder kots. Als alles er al uit is. Alleen nog maar zuur rest.
En het lichaam kokhalzend en schokkend op zoek is naar houvast.

Mooie Saar maakt tartaar

6 mei 2011, 15:38

Mooie Saar maakt tartaar
(voor 2 personen)

Neem het beste stuk
Van een gewoon rund of van een kalf
En snij met het geslepenste mes
Het malse vlees in eerlijke delen
Schroei ze dicht, in een gietijzeren pan
Hoe heter des te beter
Maar dit geldt slechts de buitenkant
Van binnen mag het zacht en rosé nog blijven
En zelfs een beetje bloeden dan



JR 6-5-11

vort!

6 mei 2011, 02:26

Vort!

Vort! Vort! Vort!
Trekt den knol den ploeg
Door zijn boer gedreven
Tot louter diepe voren

Roggebrood en krentenmik
Vezels en garanen
En soms dan maar een zoeterik
Krenten en rozijnen

Met ferme kaak
En schoon gebit
Malen mijne kiezen
De vrucht van het werk en gebed

Lief,
laat je zachte handen




JR, 5-5-11

lippen

31 jan 2011, 02:09

Lippen
Aan je lippen zou ik me vast grijpen willen
Met mijn kus
Het bedroge puntje van mijn bovenlip tussen jouw natte mond, en
Veel meer houvast biedt het leven ons wel niet

Nee, er is geen helaas voor ons, mijn lief
Er is geen houden aan, of van
Er is verlangen en er is voelen
Naar wat er niet eens niet is
En hopen op beter
Of morgen
Misschien

Van binnen


JR 30-1-11

God

11 aug 2010, 03:19

En ja, waar is God eigenlijk? Gebleven?
Moeder voerde op haar sterfbed een niet te winnen gevecht met die vraag.
‘God is liefde’ zei het goudelijke bordje op het kruis boven de deur van de woonkamer.
God is liefde. Bestaat God dan toch niet, maar is Hij een universeel symbool voor alles wat je liefde mag noemen? Of heeft de liefde voor God het alleenrecht?
Roman zou liefst dat fucking kruis op z’n knie tot splinters breken, met terugwerkende kracht. Niet omdat het niet waar was ofzo, maar om de verdomde arrogantie iets op z’n minst discutabels als liefde stomweg te claimen. Zoete woordjes fluisteren tegen een dikke Franse hoer om haar te kunnen neuken.
‘T was nogal wat.
Moeder wist niet meer of ie bestond. Moeder wist nauwelijks meer of ze zelf bestond, by the way.
Moeder mompelde maar wat, en maakte steeds het gebaar van een glas aan haar lippen zetten.
Waarbij het glas net onder haar neus paste. En haar neus juist in het glas.
We lachten erom, het was ook geestig, vanwege moeders geprogrammeerde drinkgewoonte, en haar grote neus. Half 4, dan mag het, mocht het. Misschien had het arme mens gewoon dorst en vroeg ze om water, om de uitgedroogde lippen aan haar uitgedroogde lichaam te bevochtigen.
En het gebaar bleef ze maken, ondanks haar zeer lage bewustzijnsniveau, dan wel dankzij.
Maar voor een plastic beker met water trok ze haar neus op, alsof ze aan ammoniak snoof, met een wilde ruk het hoofd wegdraaiend. En ze maakte een vies gezicht. En waaide met haar hand de prikkelende lucht weg. Met een vies gezicht. Afkeuring.

Moeder was van de catechismus en de grote witte man met de baard. Van hemel en hel en de aardse zondes. Van dreigende plaatjes in dreigende boeken, van onheil, vage vuur en de Dag der Dagen. Van kuisheid en Het Gezin. Gaat heen en vermenigvuldig u tot Heilige Kinderen. En nooit meer scheiden wat God verenigd heeft. Dus wat haar nu deed twijfelen?

Roman had nooit gedacht dat moeders geloof in God wankelde. Eerlijk gezegd had hij er überhaupt geen gedachten over gehad. En nu werd hij ertoe gedwongen. Moeder twijfelt over God. Daarvoor moet je eerst bijna doodgaan, blijkbaar, eer die vraag prominent genoeg wordt om onvermijdelijk te zijn.
Prominent, nu moeder de ultieme angst, de doodsangst beleefde.
Je zou zomaar aan alles gaan twijfelen. Is ook een comfortabele levenshouding. Twijfelen aan alles. Is het enige effectieve medicijn tegen keuzes maken. De enige geaccepteerde reden. Hardop uitgesproken.
Als je het gewoon niet weet.
Roman was van op zondagochtend de hulpkerk klaarzetten voor een nieuwbouwwijk vol intellectuele, tweeverdienende geërfde gelovigen. Stomme gordijnen in stomme haakjes aan nieuwbouwaltaren haken. Stoelen in nette rijen zetten. En dat ging nog wel, tot ie in de pubertijd op zaterdagnacht het lichaam van Christus tot op de laatste druppels leeg slurpte en met een van schuld kloppend hoofd des ochtends tot de orde werd geroepen. Maar hij kende wel alle liedjes, die hem tot op de dag van vandaag tot op het bot ontroerde. Jerusalaim, o stad van vrede. 40 jaar woestijn. Stil maar, wacht maar.

Waar wachten we eigenlijk op? Tot moeder dood gaat eigenlijk. Tot haar laatste kind om 5 voor 12 nog komt binnenvallen. Zelfs het einde van de wereld was nog niet ver genoeg om aan moeder te ontsnappen. En dat wist ie wel, maar deed net alsof, zoals wij allemaal.
En toen kon mama in vrede sterven. Al haar kroost was hier.
Maar of ze dat nog besefte, of dat wij dat nog besefte? In elke geval besloten wij dat ze nu rustig kon doodgaan, moeder konden we het niet meer vragen maar haar wel in haar sterfbed drukken. Of dat God het besliste. Wij deden wat van ons verwacht. En moeder ook. Uiteindelijk.

Het afscheid en de reis

2 aug 2010, 12:17


Ergens van ver diep vandaan moest hij toch respect voor zijn oude vader halen.
Hij deed het toch maar wel, die 1400 lange warme kilometers, zonder airco, zonder abs, zonder 1800cc,
zonder cruisecontrole, zonder tomtom. Zonder bagageruimte. En…zonder autoroute. Teminste, vanaf de mooie lange plantanenweg Pont-Saint-Esprit in. Daar nog beschaduwd, maar vanaf de benauwende brug de dorpjes, de stoplichten en het stilstaan, zodat ook de wind nog zijn adem inhield. De trage voertuigen, de hachelijke inhaalmanoeuvres, de terechtwijzende witte, Franse pijlen op het smeltende asfalt en de onverbiddelijke zon op de plakkerige neplederen bekleding, waartegen geen handdoek tussen het raam geklemd meer hielp. En roken voorin, kinderen achterin, en het hysterische zagen van de chigalles en moeder die riep dat ze zou sterven. Maar dat geloofden zij natuurlijk niet.
Het waren lange dagen, op de achterbank, vechtend tegen de irriterende zwetende ellebogen van zijn broertjes. Hopend op de goede kant van de auto, aan de schaduwzijde. Maar in elk geval niet in het midden. Het waren lange dagen, die hij per lange trage kilometer telde. De kilometers die hij zou goed kende. Chalon, Nimes, Montpellier, Narbonne, Bezier, Perpignan, Le Boulou, met ingehouden adem voor de norse Spaanse aduana, maar dan La Jonquera! En we zakte soepel de Pyreneen uit, Figueras, San Pere. Het waren lange dagen, maar zolang de auto maar niet stopte. Zolang moeder het maar toeliet, het lijden, als het einddoel maar werd bereikt. Het waren lange dagen toegediend als een verdovend middel, als verslaving, totdat de autodeur dan eindelijk open ging. En hij er was. Dat moment maakte het lijden alleen maar mooier, om na te vertellen later. Want we hadden het één dag gered. Niks geen koel hotel met heerlijke zachte bedden, niks geen lekker uit eten op z’n Frans. Geen croissantje en warme chocolademelk voor ontbijt.
Droge kontjes pan, chocolademelk van Ram, en chupa chups, de zee, de bergen van Rosas en La Escala, het brandende zand van het strand en het koele, stinkende moeras van de Fluvia aan onze voetjes, het aanhoudende klapperen van de vlaggenmasten met de triomfantelijke Spaanse vlag. De Guardia Civil met grote geweren en rare helmen, tegen al het gevaar dat ons mogelijk bedreeg. En de familie, van ooms en tantes, van neefjes en nichtjes en vooral van ons. En dan maar hopen dat de vier weken eeuwig zouden duren, en dat leken ze ook, maar eens hielden ze op. Hij was er gelukkig, als geluk zo voelde als hij het zich herinnerde. 4 weken per jaar.
En dan maar in één dag terug, met het verlangen naar het stilstaan in de donkerte en de uitlaatgassen van de Fouvriere-tunnel in Lyon. Het einde van het begin heen, en het begin van het einde terug. En bij aankomst thuis, in een regenachtig Nederland niet meer uit de auto willen stappen. De auto zat hem zo strak, dat hij er bijna niet meer uit kon kruipen.
Achterlijk avontuur eigenlijk, niet verstandig, maar je deed het maar wel, papa.

Nu, bijna 40 jaar later, zijn het strand en de zee gebleven. De paarsige heuvels van Roses, de wind.
Maar verder is alles anders. In één keer rijden is geen optie meer. Ondanks betere auto’s en betere wegen, en een betere chauffeur. De wegen zijn overvol, de haast is weg. En waarom ook, de reis is deel van de vakantie. Roman zou het rustig aan gaan doen, en dan maar zien.

De auto’s stonden geparkeerd met hun ruggen naar elkaar gekeerd. Met de achterkleppen open, als een stomme nabootsing van een gesprek, met wat fantasie. De vakantiespullen werden overgeladen, net als de kinderen overigens. Van papa naar mama, en weer. Weer afscheid, weer reis.
Papa gaat nu echt, in zijn automobiel. Rechte rug, volle tank en een slof Fortuna’s als metgezel.

De kinderen op de achterbank zagen het riet eindeloos wuiven, van vaarwel, of kom snel terug.
En ze moesten er altijd al van wenen, één in ieder geval, in alle gevallen.
Maar de auto reed meedogenloos voort, over God’s wegen.

glas

22 mei 2010, 03:06

Glas

Glas in allerlei vormen gebroken
Met onwijze blote handen
Achter pantserglas
Achter snelle vezels
Achter wijn van zure druiven

Glas uit zand gebrand
Glas in scherven
Glas in lood in schoenen
Achter glazen hoeren
Onder glas vertroeteld door onbehouwen boeren

Glas in mijn hand
Glas in mijn ziel
Glas in jouw verband
Als een doekje voor het bloeden
Als een doekje van mijn eigen deeg


JR- 22-05-10

Van woorden en de emmer

3 apr 2010, 12:42

‘Ik heb niks, maar ik wil het met je delen’, zei hij tegen haar. Dat waren zijn woorden, altijd die woorden, altijd zijn woorden.
Was dat het wat zijn moeder hem leerde? De taal als de voile van de bruid, op haar mooiste dag, van een eenmalige schoonheid, die geen onvolkomenheden verdraagt. Een lichte sluier voor het zwaar opgemaakte gelaat, met donkere ogen en rode lippen, en er is maar één de schoonste van het land?
Duizelend van de suiker van de bruidstaart, de bubbels van de champagne en de aanstaande liefdesnacht. In alle naakte dierlijkheid zijn nageslacht in haar pompen, en wezen waar je wezen moet?

Was het zijn moeder die hem leerde, dat er twee soorten vrouwen zijn, zij die van jou houden en hen waarvan jij houdt? Nooit, mama, allebeide.
Ofschoon het slechtgeluisterd klinkt als hetzelfde, in woord en in daad, zijn de verschillen hemeltergend, als je dan doodgaat en me verlaat.

Roman tilde moeder voor de laatste keer op de als wc dienende emmer. Ze woog als een veer, hij kon haar als een pasgeborene op zijn handen en onderarmenvoor zich uit dragen. Haar gratenpakhuis vocht zich met onvermoede krachten, maar liet desondanks een paar druppels vieren. Door je zoon op de pot worden gezet of piesen in het sterfbed. Moeder wou van beiden geen weet hebben, door haar smalste bewustzijnstunnel, van het licht naar het donker. En haar claustrofobie zou hij erven. Moeders vader stierf op de plee, liet z’n ultieme ontlasting en het leven, met het einde tevreden in elk geval. Hoewel het verhaal niet vertelde of hij zijn dooie billen nog veegde. Wederom diep respect voor de uitvaartverzorger, en diens zonen, zij kwijten zich smetteloos van zulke taken.

De beige emmer. Die emmer was er altijd geweest, sinds mensenheugenis, op vakantie. Tussen de dunne tentdoeken waar moeder trachtte te slapen, ondanks de geluiden van de natuur en de te dichte vreemde buren, die zij slecht verdroeg.
Het was voor haar geen keuze: In het nachthemd door de openbaarheid van de donkere camping, naar het gemene sanitaire gebeuren, en diens uitvergrote dieren, of stiekem een piepklein plasje, tussen het zachte slapen van het gezin.
Lang genoeg was haar nachtelijk toiletteren discreet genoeg en liet ons kinderen omgemoeid.
Maar het bewustzijn kwam met de jaren, en - af en toe - viel ie om.
Eventueel in dat soort gevallen, maar dagelijks bij het krieken van de dag, ging vader in zijn vette witheid en slobberende onderbroeken haar schaamte legen.
Maar Roman sliep altijd slecht.

‘Zeg eens wat!’, zei Gabriella hem aanstotend, ‘want er gaat weer van alles door je kop.’
Hij glimlachte op heterdaad, gaf haar een kus, met zijn gesloten lippen.

leeg huis

21 jan 2010, 23:17

Ik ben een leeg huis
Ik ben het geraamte van een gebouw
Als ik op mijn vloeren stamp
Galmt het er even hard erom

Geen interior design
Geen jandebouvrie
Geborgenheid kan men tekenen
Op papier en vellen

Of met de tanden des tijds
In de zielen grieven
Verhuisdozen leeg van inhoud
Zwaar van herinneringen

Als ik draag wat ik draag
Of vergeet wat ik weet
Of simpelweg door de vingers
Laat glippen

Behangen hangen
Sauzen verven
Klikken laminaat

Als ik spreek
Met mijn muren
Al praat ik
Met mijn praat