(voor Ramses, en zijn vriendin J)
Geloof mij niet
Ik ben een boom,
Weg van al het bos
Later, spijt en dromen
Je zachtheid op het mos
Al slaan ze duizend bruggen
Al valt de beddingkurk droog
Zonder water, geen zwemmen
Uit het hart
Uit het oog
Maan mij niet tot bitterheid
Puur chocolade hartenklep
En met zoveel woorden
Laat ik het
Laat ik het
Communicatie en wij
Communicatie, als het in elkaar met belastend materiaal verzwaren, is een mooi ding. Een lekker ding. Smakelijk speeksel watertanden. Leeglopen woorden sap, zoals ik pleeg te zeggen, tegen me. En een natuurlijke behoefte tevens, naar het ergens schijnt.
Al zouden mijn kinderen dat niet zeggen, als ze wat zouden zeggen.
Maar dat doen ze niet.
Ze bespelen virtuoos de virtuele wereld van hun individuele spelcomputers.
Alle drie op een rij, op de bank, als mijn brave aapjes van horen, zien en zwijgen.
Een heerlijk gezicht, maar geen doorkomen aan.
Ik ben immers geen mythisch monster dat vernietigd dient te worden. Je hoeft mij niet uit te schakelen voor de toegang tot een hoger level, naar een te ontdekken Nieuwe Wereld.
‘Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw’, als in mijn parochie gezongen.
Ik ben geen glimmend scheurmonster dat rechtsom desnoods gepasseerd moet worden. Hooguit, vooruit, een oldtimer. Een Porsche, die veel te lang geparkeerd in de regen heeft staan roesten. Wiens potente motor men niet laat brullen, doch slechts nog in het weekend als boodschappenwagentje gebruikt. Met m’n muntje, m’n bonuskaartje en m’n pannenzegeltjes.
Het slechten van muren, verspringen van daken, onthoofden van vrouwen, schieten op polities zijn niet mijn missies.
Geprobeerd met cola en lollies qua kinderen lokken en ze in mijn auto getrokken, maar zonder ze te storen. Die dingen doen het overal en altijd, en ik niet.
Ik zet me in mijn slaapstand.
‘Lekker voor je!’, hoor ik er één roepen,
en ik doe of het woord aan mij gericht is.
‘Kapot vet’ of ‘vet kapot’, daar wil ik nu even vanaf wezen.
JR 23-10-09
De rode cap, van Harry Dean Stanton, van Paris, Texas, die altijd ergens zweefde, boven zijn gedachten. In de lucht, vanuit de hoogte, boven de majestueuze monumenten in het woestijnlandschap van de VS. En Ry Cooder als de meedogenloze scherpschutter, op de snaren van zijn trefzekere gitaar. En hem steeds op deed kijken, al moest hij zich met verantwoording lostrekken uit drijfzanderige ja-maren.
De focus op de rode cap. Een sterker beeld kon zijn geheugen hem niet vertonen. Waar beelden en kleuren meer zeggen dan woorden, nee, niet meer, maar Het. Waar woorden het niet kunnen zeggen omdat ze voorwaardelijk vragen om een minutieuze zoektocht door het Archief der Woorden alvorens dan maar met het minst ongeschikte samenraapsel van aangeleerde keelklanken tot een vormvaste uitstoot, met de halfwaardetijd van fracties van seconden, te worden geworden.
Als hij de ogen sloot, en het gezicht naar de zon keerde, zag hij de donkere vlekjes van stofjes op zijn oogbol, scherp en vergroot. Hij probeerde ernaar te kijken, maar ze dreven, tergend langzaam, steeds zijn fixatie vooruit, van zijn scherm.
Het brandende verlangen om altijd weer die film te zien, met voorspelbare eenzaamheid in het verschiet.
Welk een merkwaardig smachten om met zich herhalende nieuwsgierigheid het bekende te zoeken.
Met hetzelfde zich herhalend verdriet, herkennend vastgesteld, en conclusieloos gelaten.
Dat hij deelde met zijn oom, toen die hem over de meseta van Castilië reed. Met die rode cap op achter het stuur.
Met z’n verschrompelde kleine hoofdje, gebogen rug en onbekwame sturen. Hij die zijn gezelschap zocht, omdat hij alleen niet durfde gaan, waar hij wilde en de vermeende gemene grond van Roman’s richtingsloosheid.
Er was hitte, er was stof, er was muziek en er was zwijgen. En de trage oude Transit, die versleten was, maar hen nog reed. Moeder was gerustgesteld, bij die gedachte.
Zoals zij ook Nastassja (Oh ssoete ssappige ssindelijke s-sen!) Kinski deelden.
Na 25 jaar ongetwijfeld een rimpelig oud wijfie, maar zijn erectie leefde in het verleden.
En dat ze ervan zongen, uit het volle gemoed:
“Papaver lievelingsgracht
stereotype ruilmajoren
kompaan, kompaan
laat me eerder
luit maar horen!”
Tja, dat het er van komen moest, was klaarblijkelijk als de ochtendurine.
Met een paar ontroerende druppeltjes op de bril, nog maar.
Een paar druppeltjes gebrek aan routine, spettertjes losgelaten controle, traantjes van verloren concentratie op het hier en nu, tussen het daar en straks, misschien.
Wij liggen daar hier niet langer wakker van, in dit piemeltjesgebeuren, van de vertrouwde geur van onze roedel dan, waarmee we geen vrouw nimmer meer ontrieven zullen.
Het valt ons zwaar ons te concentreren op buiten onze natuur, als honden die wij zijn.
Dat geldt ook zeker ons werk en ons school, waarop wij zitten, als daar leuke juffen zijn.
Al ons aanvankelijk verzet tegen de onderzoeken die ons vertellen moeten dat we het kunnen noch zijn, is geconcentreerd in hun aanwezigheid. Gebroken door de eenduidigheid van de schoonheid, in hun lach, in hun haren. Bij het welkom heten op een nieuwe dag, het tonen van het desnoods verzonnen soms fysieke meegenomene, en het plaatsnemen met een zucht. Waar we onze dagen slijten als onze kleine knieën in onzer broek. Zonder moeders verdriet.
Je zou het niet zeggen van mijn kleine man, als het boek niet voorschrijft wat hij leest.
Wanneer de lijm meer aan zijn beweeglijke vingertjes hecht dan aan een dood karton.
Als er meer harde sommen in het schrift staan dan uit zijn zachte hoofdje komen.
En de juf over ons heen komt hangen, extra lang, met haar zoete warme toverwoorden.
Dan glimlachen wij
En begrijpt papa het wel, toch, pap?
Met minder dan modaal geveinsde vaderschap
Dat het soms gewoon uit ons druppelt
(voor Jac, mijn home dealer)
’t zal wel aan ‘t jointje het wijntje sigaretje komen
vond je onverhoopt briljant
schurk je wezen aan mijn wezen
leg je lendenen aan mijn bron
achter glas achterdeuren
achter al mijn zichtbaarheid
mijn hart
het zingt
zonder schree-uwen
JR 18-09-09
Nog één keer voelen hoe je lippen voelen, hoe je lippen voelden,
hoe ik ze voelde.
Het slaat een gat in m’n gemoed.
Een gat dat ik vul met mijn eenzaamheid.
Mijn wijn, mijn rook,
En deze loze woorden.
Het leven is een rechte lijn,
Waarvan je niet moet wijken:
Pijn en verdriet zal je deel zijn.
Ik heb zoveel nodig met als logische consequentie, dat ik niets krijg.
Met dat soort rechtvaardigheid,
is het leven gauw vol.
Niemand, zelfs jij niet,
Kan dat nu nog verbloemen.
Soms slaapt het wel
En soms slaapt het nie
Soms glijdt het naar binnen
Als een sappig rauwe kipfilet
Maar blijft het liggen
Op de gevoelige maag
Als bloedig biefstuktartaar
En verteert het slecht(s)
Met maag
zuren
Langzaam bekruipt het me
Als een naaktslak met warme voeten
Geen revoluties
Maar van mogen
Niet van moeten
Van het vandaag of morgen
Niet of nooit of nu
Draag je geen horloge
Je bent hier
Als ik je roep, op vrijersvoeten
Op een rauwe rand
Op een zacht kussen
Of ergens daartussen
De eau-de-cologne druipt van je lippen
Het warme welkom, van je tiet
En vrouw van een vrouw
op het puntje van mijn tong
geef je mee
geef je af
en de varkens
zij vroeten
JR 11-06-09
De dood en de tandarts
Hoewel hij zijn avondrust trachtte te koesteren, koos hij ervoor het bedse huilen van zijn jongste zoon au serieux te nemen. Hij stak de borst vooruit van het hem wel even zullen leren,
want het is zelden au serieux, in den avond, in den bedde. Als doorwinterde vader ontwikkelde hij een ragfijn gevoel, of laten we zeggen chanteerbaar respect, voor goed uitgevoerd drama, dat zich aan de echtheid schurkt, als het ademhalen aan het leven.
En bedrogen kwam hij niet uit, op de plaats delict, waar sprake was van zaken die zijn aandacht behoeven.
Door het decorum van snot, snik en tranen wist zijn zoon hem te ontvouwen waar de pijn hem sneed: ‘Papa, ik wil niet dood.’
Voller met tanden kan een vader’s bek niet zijn. Zijn gemoed schoot zich vol met natte geworden kruit. Leeg plots, zijn doorgaans goedgevuld arsenaal aan valse hopen.
Hij moest eraan denken, aan oma, en rokers sterven jonger en meer van dat soort dagelijkse kost. En soms word je dat teveel, als je in bed ligt, alleen, en je het leven nog een beetje hoort.
‘En ik wil ook niet dat jij dood gaat, ‘ was zijn volgende acte, waarmee hij zijn publiek definitief de das om deed, omdat hij het gaf waarvoor het betaalde:
plichtsbesef, schuldgevoel, en ouderlijk falen.
Dat werd weer bij papa slapen. Met één meesterlijke scène nam hij zijn vader’s bed, zijn slapen en zijn tranen.
Terwijl de vader het blozend slapend kind naast hem bewonderde en zijn kille lichaam probeerde te bedekken met een onverhoopt overgeschoten klein hoekje van het dekbed, bedacht hij zich dat hij morgen naar de tandarts moest. En hij rilde. Angst wordt nooit meer volwassen, hoe vaak hij ook door de wasstraat van rationele gedachten gaat.
En toen stond hij plots op de begraafplaats. De begraafplaats waarvan hij het bestaan lichtjes, als in een ooghoek, bewust was geweest, achteraf gezien. Teruggezien, als van de fietser over z’n schouder, met een korte slinger aan het stuur tot gevolg. Als zijn jonge hij erlangs naar school fietste. Het lag langs de weg die hij dagelijks volgde. Even zo door het gure donker van een winterochtend, als tegen de natte wind van de herfst, als in een te optimistisch t-shirt onder de lentezon. Op een willekeurige schooldag, in een eindeloze reeks willekeurige schooldagen, die niet noodzakelijk eindigde, of dat het er toe deed. Daarmee hield hij zich niet bezig.
Daarmee hield hij zich niet bezig. Het impliceert een activiteit die hij niet had, een schuld die hij niet voelde, maar wel bleek te dragen. Zonder ook maar een enkele keer het krakende grindpad te hebben afgelopen. Tussen door de onberispelijk lange haag van zwijgende ligusters, schouder aan schouder verbergend nog. Zonder mening, zonder oordeel kondigden zij aan, wat men vond aan het eind van hun aaneengesloten saluut, in de zich breeduit openende weide van de kruizen.
Hij stond met zijn voeten aan haar graf. Hij was er niet meer teruggeweest, na de begrafenis, al maanden geleden. Hij voelde noch de noodzaak, noch de uitnodiging. Er was ook geen nieuwsgierigheid of plichtsbesef. Daar waar de begraafplaats links van de linkerooghoek van zijn jeugd had gezeten, zat nu het graf van z’n moeder. Hoe vaak en hoe snel hij ook zijn hoofd in die richting draaide, hij zag het nooit, maar het was er wel. En daarvoor kon hij niet meer weglopen, wegfietsen. Hij moest er heen, zonder reden.
Hij keek omlaag en zag het gat in de aarde. Hij keek naar beneden en zag de kist. De kist met het lijk van zijn moeder. Tenminste, dat nam hij aan. Het kruis zei dat zij er lag. En het kruis zei ook dat zijn vader er zal liggen. Want zijn vader was niet bang van de dood. Zijn vader was bang voor het leven zonder zijn moeder. En had dus maar vast een voorschot genomen, in al zijn arrogantie, van het weten dat en van wat komen gaat, en leefde daarmee in ruste.
Misschien had het hem moeten verbazen, maar er was geen zand op de kist gestort, al lag deze er al maanden. Maar verbazen deed het hem niet. Het was ook niet in zijn aard de grafdelvers te verwijten in gebreke te zijn gebleven, of ze hiervan zelfs maar te beschuldigen. Het was ook ondenkbaar, hoewel hij dat best kon denken, dat er niet eerder iemand het graf had bezocht.
Nee, er was maar één logische verklaring. Het was aan hem om het zand op de kist te scheppen. En die gedachte werd overtuigend bekrachtigd door de berg aarde die naast het gat in de grond lag. En door de schop die erin was gestoken, als door werkmanshanden. Zo klaar had het niet eerder gezien. Maar dat was wellicht ook het probleem, het klare zien, zelfs wanneer hij er bijna over struikelde.
Hij deed zijn jas uit en nam de schop ter handen. Het spannen van zijn armspieren deed hem goed, zoals de daad van het storten van de aarde. Met elke schep verdween een stukje van moeders kist. Hij telde de keren dat hij de schop in de zandhoop stootte, want in elke daad zit een prestatie, hoorde hij moeder fluisteren, met een geruststellende knipoog, maar met verkrampte vuisten en de onderlip tussen de tanden. Zij was de enige die bij het ballen der vuisten de duim in de vingers sloot. Vader wist haar te vertellen dat ze, op die wijze, bij een echte stoot, haar duimen breken zoude. Maar echt stoten deed ze nooit, maar versloeg haar maar eens, met pingpong, bijvoorbeeld.
Het hele gat vullen bleek een te grote opgave. Ook wat overdreven misschien, of niet nodig zelfs. Zijn intenties waren goed, het resultaat van lager belang. Moeder was aan het gezicht onttrokken, zoals ze dat van hem zou willen.