Het gaat goed met mij
Totdat het me de bek open breekt
En alles eruit komt
Een poging tot woorden
Meer toch een brul
Van ontsnappende kooibeesten
Die beter niet weten
Dan gevangen gezeten
Onherkenbare vrijheid
Grote lege ruimte
Richtingloze ijsbeer
Heen en weer
Maar niet meer weg
En nooit meer terug
Dat woorden rondvliegen
Als doelloze projectielen
De één stommer dan de ander
Dat ik kan liggen zoals ik wil
Zonder dat de ruimte vraagt
om te vormen naar jouw zijn
dat ik me omdraai zonder iets te raken
al draai ik me nog zo vaak
omdat het goed is zo en wijs
maar mijn domme voeten je tenen missen
dat ik nergens van wakker lig
niet ontwaak
en zelfs van slapen genoeg krijg
dat ik dood ga zonder pijn
zonder te merken
zonder te zijn
Dag afscheid,
Ik moet nu gaan
Vooral omdat ik niet blijven
En met blote ogen, zeker!
het nog langer aanzien kan
Je bent een betrouwbaar sujet gebleken
Heb met je leren lezen, taal en rekenen
Dat je het met mijn liefje doen zal
Zoals je altijd al je vrije tijd
met al mijn liefdes steeds weer verdeed
Nu is het over
wil je niet meer zien
achter een toegeslagen deur
wil je niet meer horen
in een afgehangen telefoon
Om niets nog zal ik levenstekens
Bodemloos is mijn echoput
Schep mijn emmers lege lucht
Als je het al lezen kan
Is dit mijn laatste zin
JR 15-5-08
Het hangt er maar vanaf
de hoogte van mijn vrees is
Vooral de val
Hoe diep die zijn zal
Ik ben een klifhanger
Een ravijntoerist
En toon je zo
Van mijn angst, de binnenkant
Met een gerust hart
Hang ik over het randje
Als jij mij vast houdt
Als je me vasthoudt
Je kracht zal doorslaggevend zijn
Niet van het trekken
Maar van het laten
Is mijn weerloos tegenwicht
Mijn lippen glijen van je lippen
Alsof het geen weerstand heeft
Het zijn en willen
Bruut geweld waarmee
Ik je beminnen wil
Zacht en stil
Water zand en stenen
Regen sneeuw en wind
En nagels langs m’n genen
Kussen als kussens
Waarop m’n verlangen ligt
Te wachten op het wachten
Geen kant meer op
Geen getik van geen klok
Geen gemaar meer
De beste tijd
Om te sterven!
(is nu)
JR 23-03-08
De tijd
heelt alle wonden
De tijd
doodt alles wat lief is
De tijd
is het nutteloze niets
Tussen toen en nu
Tussen jou en mij
Vandaag en vroeger
Als je daar nu ligt
En zie ze daar liggen!
Van kindsbeen en botten
Van mijn moeders gezicht
Voor mij zit je vel er nog om
Je glimlach erop
Dat alles altijd goed was
Al wisten we wel beter,
Hè mam?
Ik mis je
verdomme
JR 17-3-08
Het is niet eens niet wat je denkt
Denken is niet wijzer dan wat we leerden
En dat kan nooit goed zijn
wij zijn
tranen die vallen van hier
tot op de grond
aan elastische draden
de lucht beweegt met je mee
door mijn eindeloze gangen
zonder deuren
vind me waar ik ben
en kan zijn
ik ben het loon van je werken
goedkoper dan gedacht
wellicht
of niet eens niet
gevonden voorwerpen
Wanneer ik weer eens ergens wegren, afhaak, straal of op straat wordt geschopt, troost ik me met de wetmatigheid ervan. De kracht van de herhaling is een zwart-op-wit bevestiging van m’n intrinsieke vermoedens.
Ik denk in eindigheden. Verder dan een jaar of anderhalf reikt mijn vertrouwen in de toekomst nooit. De horizon verplaatst zich niet, de tijd loopt op zichzelf in.
Voorspelbare mislukkingen, van eigen creatie.
Voor een elegant glijden in onvergankelijkheid ben ik niet geboren.
Paniek overvalt mij als ik denk aan de dood, niet het sterven, maar de eindeloosheid is angstaanjagend. Het duizelt mij wanneer ik word meegenomen op een reis door tijd en ruimte.
Krimpen, uitzetten, ex- en imploderen als doelloze bezigheden. Het mateloze universum van God en de Grote Getallen. De sterren, Rode Reuzen en Witte Dwergen, zijn de lugubere sprookjesfiguren, die me in mijn kinderbed terroriseerden.
Gijs van 11 beleeft het met de blijmoedigheid van een jonge onderzoeker. Van een padvinder, een botjeszoeker. Hij eet kennis als dagelijks brood, dat smaakt als toast met Beluga-kaviaar.
Zijn fantasie is ongeremd door realisme, of negeert het, als de keuze van een sterke geest.
Flexibel en plastisch als het heelal van de ongekende mogelijkheden.
Hij verdrinkt zich niet in onvermogen. Hij leert me meer dan ik hem, van wijsheid dan.
Met het ontwerp is niets mis, de evolutietheorie voor mij bewezen.
Maar ik heb ook een vader.