Het water loopt me in de mond
Koudfris en vloeibaar
Als het zou moeten
Zijn
Liggend op m’n rug
In de bevroren woestijn
Kijk daar
Een ster vallen
Het heeft geen zin
Als alles beweegt
Niks blijft staan
Voor mij
Dorstig is mijn verlangen
Op zoeken
Op vinden
Kauwen op zand
Kastelen in de vloedlijn
Getijden
Weg als het water het wil
En ik
Daar was
Waar ik was
En wil zijn
Stel: Een fantasie is een werkelijkheid die niet bestaat, omdat ie geen fysieke gedaante heeft.
Het is maar een poging, armzalig uiteraard, maar daarin weerklinkt mijn twijfel allicht.
Ware ik zekerder, dan ware mijn pogingen kordater, mijn stellingnamen resoluter en ik mijzelf niet. Misschien lijk ik te zeer, te pijnlijk, op mijn jongste kind, mijn vrucht, mijn bloed, mijn appel, mijn peer.
Hij fantaseerde zich, met een zelf aangemeten hoedanigheid in de politiesfeer, teneinde boeventronies te ontmaskeren, het donkere gat van de trap op. Met elke tree steeg zijn vrees.
Hoe dichter hij zijn fantasie naderde, des te trager werd zijn voorgenomen pas.
Door het ontbreken van een fysieke gedaante hoe dan ook, liet hij zich niet remmen in zijn abrupt gekozen weg omlaag, noch door de stoffelijke randvoorwaarden van de trap.
Het geluk was aan zijn zijde, waar het hoort als je 6 jaar en een tovenaarsleerling bent. Beiden eindigden in mijn reddende armen. Het vaderschap is op het juiste moment op de juiste plek zijn. In den beginne, tot het eind, en vooral ook vaak onderweg.
Prachtig, hoezee wellicht, maar hoe zit dat met de liefde eigenlijk?
Welke fysieke gedaante moet die aannemen om werkelijk te zijn?
Ik heb me ook menig trap naar menig slaapkamer op gefantaseerd, hoewel veel te zwaar om mijn oude vader nog met mijn volle gewicht te confronteren.
Kracht = massa x versnelling, gedeeld door leeftijd van de ontvangende armen.
Maar, maar dat.. . Dat is toegepaste mechanica! Eindelijk, na 30 jaar dolen door het niemandsland tussen vergeten en gebruiken, heeft de wijze les der natuurkunde zijn weergave gevonden.
Fijn voor meester Houtepen. Maar die is al lang geen werkelijkheid meer en zal er geen vreugde aan ontlenen.
Vandaag, op het Plein van de Ongelijke Strijd, stond ik weer oog in oog met die buitenproportionele tank, die zijn vuurmond op mijn voorhoofd richtte.
Ik, kleine mens, door het gepantserde monster gedwongen tot een zeldzame beleving van de realiteit van het moment, waarin ik ongaarne en liefst kortstondig verblijf, daar ik er niet vind wat ik zoek, in het stilstaan der stilstaan, in de werkelijkheid, nee bedankt mevrouw, van vleesch ende bloed, ik ken u niet.
Waarom rook ik eigenlijk? Ben ik er bang voor, dat deze vraag raakt aan het wezen van mijn wezen, de ziel van mijn ziel, de zin van mijn bestaan. Het doel eerder, dan een middel, dat m’n leven bezigheidjes om het roken heen zijn. Dat het zich niet tot verslaving laat denigreren, door enge ziektes en slechte gewoontes.
De Maagdeneilanden, dat is wat het vlindernet van mijn oren ving, uit de zoemende omgeving, die mij bleek te omgeven. En daar was mijn vliegtuig, daar was mijn vlucht.
Als ik straks de laatste der rokers, en dientengevolge, niet langer welkom ben. Koop ik mij een eiland, en bouwe er een lustoord, voor allen wier beleving tot een dagje uit is gereduceerd.
“Wat zullen we doen vandaag”, is moeder’s vraag, en vader komt, in tegen zijn zaterdagse gewoonte, wonderwel snel in de benen met de kortingsbonnen uit de Kampioen, bijbel der avontuurlozen: “Misschien is het goed dat de kind’ren zien, hoe de mensen vroeger leefden.”
Doet me veel denken aan m’n vlucht van Londen naar Rotterdam, met bibberende vleugels.
Ik heb heel veel moeten achterlaten op Stansted: Tandpasta, blikje bier en m'n aansteker (mijn baken, mijn houvast, mijn anker).
Toen het vliegtuig ejaculeerde in de aankomsthal, werd het gebruikelijke gevoel, van als na een baantje onderwaterzwemmen naar nieuwe adem snakkend het beloofde oppervlak naderen, nog versterkt door kortademige paniekaanvallen.
In ieder zichzelf respecterend land zou ik bij het verlaten van de rookvrije zone besprongen zijn door entrepeneurs van het zuivere water, groothandelaars in opportunisme en de kleine zelfstandige. Zelden viel ik in zo'n diep gat in de markt. Waar geen vuur is, is geen rook.
Onszelf en elkaar betastend, schoolden wij lotgenoten samen in het vrije land achter de grote trage draaipoorten. Stoeptegels werden gebroken tot vuurstenen.
Ik heb in de rij voor de security in London koortsachtig staan afwegen of ik mijn etui met insuline en naaldjes vrijwillig zou gaan aangeven of ze zou proberen te verstoppen in mijn tas. Anticiperend op lange discussies met nonwetende beambtes heb ik voor het tweede gekozen. Geen haan heeft er naar gekraaid, uiteraard. Mijn tandpasta wordt waarschijnlijk nog steeds onderzocht door het British Forensic Laboratory.
HC, Utrecht, 8 februari 2008
Je liet je vallen,
tegen de dienstregelingborden,
zonder enig respect voor de zorgvuldige planning
van de Nederlandse Spoorwegen
of de onzachtheid
van hun werkelijk nut.
Jij lag tegen mijn lippen,
je blik op mijn blik,
en de contouren verdwenen.
De trein veel te vroeg,
om je nog mee te kunnen nemen.
Tot dat moment had je me nooit verteld,
dat men zorgeloos zijn kon,
in het stilstaan van het hier en nu,
noch dat de bejaarde treinenzoekers
verdwijnen zouden
in een ander dimensie,
die ons niet raakte,
alsof ie er niet was.
Hoewel we er een oogwenk geleden
nog vanzelfsprekend deel van waren,
in onze fysieke staat van zijn,
met onze slaafse gedachten
en de voeten op de harde tegels
in het ontnuchterende licht van Hoog Catherijne,
bij nacht.
Werden de borden zacht als kussens,
in de wijkende concentrische cirkels
van mijn geestige oog.
Dat er geen reden tot gaan was,
en de klok wanhopig tikte,
om ons ongehoorzame oor, en oor.
Dat we realisten waren,
dat stond buiten kijf.
Het stopte,
omdat een mens gaan moet,
al weet hij nooit waarom,
precies.
Je zult er ook maar een wolk zijn
Boven mijne hoofde
Tergend langzaam over schuiven
De achteloze hemel langs
Slechts nog door wind gedreven
Op de veel te lange dagen
Als het donker dat de avond vult
Om als éénmalig hoogtepunt
Te verdwijnen dan als regen
Maar voor het zelfde geld
Nogmaals de wereld rond
Ben ik hier
Steeds morgen weer
Schijnbaar onbewogen
Ik zuig geweldig aan een sigaret
Alsof mijn leven er aan hangt
De dikke tabaksrook
Vult mijn lege longen
Mijn lieve magnetron
Roept
Dat het eten klaar is
Om gegeten te worden
Niks geen prikkelende geuren van
Pruttelende pannen
Niks geen smaak meer
in mijn mond
een natte koude klets rosé
in mijn gezicht naar binnen
zonder noemenswaardige effecten
op de gevoelstemperatuur
trap op trap af
liefdeloos met mijn bed geslapen
en haar ’s morgens weer verlaten
zoals de dag de nacht de dag de nacht
Met een steen sla ik vonken uit een steen
Zou dat ook kunnen niet doen
Stenen in hun gepolijste eenzaamheid laten
Rondgesleten en puntloos
Zijn ze, van nature, van leven
En dat ze vonken, van geweld
Is hen slechts organisch te verwijten
Honderd miljoen jaar
Of daaromtrent
Het wachten wel gewend
Zou je voor ze willen zeggen
Mijn God, mijn leven!
Moedertje natuur
Laat de aarde van zichzelf beven
Drie kwartier is nog geen uur
Het licht vliegt sneller
dan geluid
Dat we maken
Zoals de tijd
Verkruimeld, als beschuit
Een luchtige lichtheid
Maakt zich meester
Van mijn relatieve eenzaamheid
Geprononceerder dan
mijn bittere smaak
Als een gedresseerde aap
Doe ik mijn kunstje
Als het nacht is
En te laat
Laat je triestheid in mij armen
Ik wurg er wel de tranen uit
Waar je niet van mij kan wezen
Valt de zon op je gelaat
Oude liefde
Brandstapel van mijn hekserij
Nasmeulende takken
Van de boom
Van de vruchten
Van de pitten
Van een nieuw leven
Waar het wachten op is
Als ik lente maken kan
Van zwarte as
Ik heb de onweerstaanbare behoefte iets persoonlijks te zeggen.
En ik ga er gewoon aan toegeven. Vraag me niet waarom.
Het enige antwoord dat ik erop kan geven, is een citaat uit mijn zoontje Daan’s lievelingslied:
Het nijlpaard
“Leve het nijlpaard
Oh schitterend dier
Dik, lui en lelijk
Ligt hij in de rivier
Het nijlpaard heeft maling aan uiterlijk schoon.
Zoals `ie eruit ziet zo is `ie gewoon”
Vrouwen
De jongste jaren, hebben mij meer dan ooit geconfronteerd,
met de rollen van de vrouwen in mijn leven.
Ik zeg de jongste jaren, niet omdat ik me zo fris en jeugdig voel als ik eruit zie,
maar omdat ik met terugwerkende kracht op mijn afhankelijkheid van de relaties met hen heb moeten reflecteren.
Voelen is een veel beter woord dan reflecteren, in dit verband, in elk verband eigenlijk,
want alleen met mijn emoties aan de oppervlakte ben ik in staat mijzelf in de juiste proporties te bezien.
En bovendien is dat wat er werkelijk is gebeurd: ze hebben me het laten voelen!
Ik heb belangrijke vrouwen gewonnen en verloren.
Ik heb hun kracht en liefde gevoeld, hun levensgevende aanwezigheid en pijnlijk ontbreken.
Met en tegenzin, gewild en ongewild, veelal weerloos maar nooit willoos,
en helaas bewust onbekwaam, gelukkig.
Ze hebben me aan het werk gezet, prestaties doen leveren,
mijzelf doen etaleren in de showroom van het leven,
In de schone schijn en de verborgen lelijkheid van de nacht,
daar waar ik liever lui dan moe ben, in de warmte van hun zon.
Vrouwen zijn dom
Sterker nog: Vrouwen zijn de op één na domste wezens
Van onze soort
De grappen waarom ze lachen
De tranen die ze laten
Het geduld dat ze hebben
Is ronduit meelijwekkend
Ze hebben geen enkel benul
Van hoe kwetsbaar ze zich maken
Verworden tot weerloze slachtoffers van sentiment
Betrokkenheid, collegialiteit, vriendschap en zoiets als houden van
Dat soort shit, weet je wel
Dank je wel, lieve mama, lieve Nicole, lieve Ilja en lieve Esther.