Ik ben gezegend ( ik kan zo gauw geen adequater weergave voor mijn huidige gemoedstoestand vinden) met 3 zoons.
Ons huishouden is dan ook een echte mannenwereld.
De wc-vloer moet erg vaak gedweild. Op de tv is meestal – al dan niet virtueel – voetbal.
We praten zelden met elkaar, maar als we dat doen, dan gaat het ook ergens over.
De jongens hebben dagelijks, ongetwijfeld met goede bedoelingen van God, hun nichtje over de vloer. Tijdens een spel met haar:
“Ze zouden ons op school eens moeten leren om meisjes te begrijpen” , verzuchtte de oudste (8 jaar).
“Hoezo?”, mompelde ik, opgeschrikt uit de schijndood, waarin ik me terugtrek om het geweld en lawaai in huis te doorstaan.. “Waarom zeg je dat?”
“Ik begrijp niets van ze”
“Leer je dat dan niet op school?”
“Nee”
“Misschien moet je dan eens vaker met een meisje praten”, pochte ik.
Waarop m’n tweede zoon
, die zich tot op dat moment wijselijk op de vlakte had gehouden, in een onbedaarlijk lachen uitbarstte.
Ik trok me geslagen terug, maar de twee zetten het gesprek nog even voort:
“Met welk meisje praat jij het meest?”
“Mm, ik denk met mama”
Zonen van hun vader.
En met instemmend gegrom werd het gesprek beëindigd.
Had ik maar een dochter, dan kon ik ook eens niet begrijpen.
De jongste is twee, misschien is die nog te redden.
Hij kijkt, als geroepen, even op van z’n auto’s. Ik geef op
Zoals elke ochtend rent Daantje giechelend weg voor een schone luier, luid ‘Neehee’ gillend. Vervolgens laat hij zich languit op de vloer vallen, kijkt me schuin aan en vraagt: ‘Grappig, hè?’ op zoek naar een bevestiging bij z’n publiek.
Zijn wiebelende blote, witte billen voeren me onweerstaanbaar terug naar gisteravond. Als ik echt niets meer te doen weet, en de TV geen enkel ander vermaak meer biedt, wil ik nog wel eens videoclips kijken. Gisteravond waren het de grote, zwarte billen van vrouwen, die me bezighielden. Voor alle duidelijkheid: ik heb niets tegen vrouwenbillen, in tegendeel, ik mag ze graag. Maar de schaamteloze manier waarop ze zich gister in mijn beeld duwden, werd me teveel. Ik leek geen keuze meer te hebben. Ze kunnen er zelf niets aan doen, die bipsen, ze moeten van de gangstarapper. En daar zeg je geen ‘neehee’ tegen.
Maar de grootste misdaad tegen de mensheid, vind ik het totale gebrek aan originaliteit en creativiteit. In mijn ogen zijn geen twee konten hetzelfde, maar de overdaad verdoofd mijn zintuigen en overprikkeld sla ik dood.
Snoep Jogi Daan, mijn eigen kleine vinexrapper. Poepster en idool.
Alsof ie ruikt wat ik denk, zet hij juist vandaag een cap op en doet z’n capuchon erover.
Daarbij een bodywarmer en als fashionstatement trekt hij z’n kikkerlaarzen aan.. Nog wat oversized, en daardoor chilled het wat moeizaam, zeker in de restjes sneeuw, maar vèt is het wel. We hebben ook geen haast om van onze crip naar de crèche te komen.
Ik zie 50 cents niet in kikkerlaarsen, Eminem niet met zo’n snottebel, maar Daan gelukkig
(Chronische vermoeidheid)
Bestaat chronische vermoeidheid nu wel of niet!
Ik word doodmoe én chagrijnig van de eindeloosheid van de discussie.
De Gezondheidsraad vindt van wel, de minister van niet, en de kamer zet er in alle wijsheid vraagtekens bij.
Ik heb geleerd dat bestuurders moeten beslissen – het is links of rechts, of rechtdoor tegen een boom. Aangezien de minimale eisen aan een zelfstandige aandoening een halfjaar hoofdpijn, gewrichtspijn, spierpijn en pijn aan hals of okselklieren zijn, is het laatste misschien wel de beste optie.
Maar goed laat ik de twist (of moet ik debat zeggen) dan maar beëindigen: het bestaat.
Maar wat is dan de oorzaak?
Wat archeologie in mijn eigen voedingsbodem legt het volgende bloot.
De vroegste vondsten van vermoeidheid stammen uit de pubertijd.
We vinden “niet uit bed kunnen komen”, “slapen tijdens de les” en “ik heb geen huiswerk” als relikwieën van vergelijkbare verschijnselen.
In dit era komen we ook schoolziek, gymziek (dames) en lovesick tegen.
Later in de geschiedenis zal het verworden tot veelvuldig spijbelen, drop-out, langdurige werkeloosheid en grijs ziekteverzuim.
Dit brengt me tot de hypothese dat het een hormonenkwestie is.
Hormonen in ons voedsel, erectie- en anticonceptiepillen zullen er ongetwijfeld een rol in spelen. Seks dus, seks is de schuld van alles.
Dan blijven er nog maar twee behandelingen over. Gedragstherapie of castratie. En de vrouwen geen chocolade meer.
Het leven is de chaotische samenhang tussen allerlei kleine dingetjes, die onze dagen vullen.
Een eindeloze aaneenschakeling van simpele, korte handelingen, die weinig inspanning vragen. Autonome bewegingen die zich slechts door een aangeleerde logica verbonden voelen.
Van het opstaan tot het slapen gaan.
Als het goed is.
Het toeval (maar ook de statistiek!) wil, dat ze zich soms groots manifesteren, die kleine dingetjes.
T zal ouderdom, drank of stress wezen, dat ze uit de anonimiteit van hun natuurlijke discipline doet vallen. Maar met de potentie van verstrekkende gevolgen.
Ze zijn me nog niet noodlottig geworden, de keren dat ik op de rem trapte in verwachting van de koppeling. De sleutels die, na een lange vermoeiende dag, niet blindelings in het slot gleden. De pincodes, die ik zwetend, achter mij een lange rij wetend, bij de kassa vergat.
Nee, verstrekkend is het besef van mijn kwetsbaarheid, de broosheid van mijn bestaan, wanneer mijn adem stokt.
Een doorgaans allerdaagse handeling kan uit groeien tot een tour-de-force, eens je het onbewuste bewust wordt. De complexiteit en het duizelingwekkend aantal van de handelingen zijn plots zeer manifest.
Het is geen wonder dat we vele kinderjaren nodig hebben om alles onder de knie te krijgen. Het is wel een wonder dat het ons Überhaupt lukt.
Neem op een goede dag eens alle stappen van het dagelijks ritueel door.
Opstaan (hoe doe ik dat eigenlijk?)
Aankleden (wat een boel knopen!)
Wassen, poetsen, kammen, naar het toilet.
Koffiezetten (filter, koffie (blik (kast, deurtje open, blik pakken, blik open, lepel pakken, koffie scheppen, lepel terug, blik dicht, blik kast, kast dicht)), koffiekan pakken, omspoelen, water erin (kraan open (linkerhand), koffiekan eronder (rechterhand), kraan dicht), koffiekan in apparaat, knop aan)
En dan is het nog pas kwart over zeven (klok kijken) en ik wil alweer naar bed.
Goede voornemens maak ik altijd achteraf. Als door de bliksem getroffen siddert mijn zenuwstelsel bij een zich onaangekondigd manifesterend inzicht. Koude rillingen, kippenvel. Dat soort ordinaire sensaties bevestigen de ontvangst van een piepkleine dosis wijsheid.
De vervolgens veel te grote conclusies kun je rustig overlaten aan mijn naar prikkels snakkende, maar doorgaans doezelende brein..
Ik zit me te vervelen op de bank. Vervelen is als het hevige verlangen naar het niets doen samenvalt met het ontbreken van gewenste, geprogrammeerde of opgelegde taken. En het is dan vrijwel onmiddellijk prominent. Vervelen is als je iets moet gaan verzinnen, en je hebt geen fantasie. Dat moet wel leiden tot observatie.
Opeens zie ik mijn kind staan. Onder de klok.
Voor hem heeft dat geen betekenis dan dat het je kan leren hoe laat het is.
En dan nog is het een ding aan de muur met ronddraaiende dingen.
Zo anders dan bij mij. Als ik er naar kijk gaat mijn hoofd vanzelf meedraaien.
De klok gaat steeds luider tikken en vergiftigt mijn waarnemen met willen moeten of moeten willen.
Als je mijn zoon bent, twee jaar bent en de tijd en ruimte met me deelt, maar niet de consequenties. Als je een grote zak knikkers op onze tafel van twee omkeert, ze over de rand op de vloer ziet vallen. Ze zich willekeurig naar alle kanten door de kamer ziet rollen, onder banken en kasten. En je weet niet hoe laat het is. En ik het je ook niet zal leren. Dan kan het geen kwaad, sterker nog, dan is het best geestig.
Twee kinderen gingen je reeds voor. Die kregen klokkijken en horloges als beloning.
Die moeten ook op tijd naar school en naar bed. Die moeten haasten en op tijd komen.
Jij laat de stuiters glazig liggen kijken, daar waar ze gerold zijn. Ik zal ze moeten opruimen.
Het is mijn tijd, niet de jouwe.
(Van God en de Grote Getallen)
Wanneer ik weer eens ergens wegren, afhaak, straal of op straat wordt geschopt, troost ik me met de wetmatigheid ervan. De kracht van de herhaling is een zwart-op-wit bevestiging van m’n intrinsieke vermoedens.
Ik denk in eindigheden. Verder dan een jaar of anderhalf reikt mijn vertrouwen in de toekomst nooit. De horizon verplaatst zich niet, de tijd loopt op zichzelf in.
Voorspelbare mislukkingen, van eigen creatie.
Voor een elegant glijden in onvergankelijkheid ben ik niet geboren.
Paniek overvalt mij als ik denk aan de dood, niet het sterven, maar de eindeloosheid is angstaanjagend. Het duizelt mij wanneer ik word meegenomen op een reis door tijd en ruimte.
Krimpen, uitzetten, ex- en imploderen als doelloze bezigheden. Het mateloze universum van God en de Grote Getallen. De sterren, Rode Reuzen en Witte Dwergen, zijn de lugubere sprookjesfiguren, die me in mijn kinderbed terroriseerden.
Gijs van 8 beleeft het met de blijmoedigheid van een jonge onderzoeker. Van een padvinder, een botjeszoeker. Hij eet kennis als dagelijks brood, dat smaakt als toast met Beluga-kaviaar.
Zijn fantasie is ongeremd door realisme, of negeert het, als de keuze van een sterke geest.
Flexibel en plastisch als het heelal van de ongekende mogelijkheden.
Hij verdrinkt zich niet in onvermogen. Hij leert me meer dan ik hem, van wijsheid dan.
Met het ontwerp is niets mis, de evolutietheorie voor mij bewezen.
Maar ik heb ook een vader.
(Kees, de jongen)
Je zou Kees tekort doen door hem een gewone jongen te noemen.
Kees is een bijzonder kind. En toch ziet hij er vrij normaal uit.
De contouren en lijnen van zijn gezicht verraden zijn afwijking niet.
Zijn blik is helder, zijn taalgebruik adequaat. Hij praat zonder kwijlen en schuimen.
Wellicht de iets scheef uit zijn mond springende voortanden, die te groot zijn, in verhouding tot zijn hoofd en het melkgebit.
Hij is van normale bouw en gemiddeld postuur. Niet dik, niet dun, te noemen, noch lang, noch kort.
Zoals de meeste 8-jarige jongens is hij vaak wild en luidruchtig, maar dan weer lief en rustig.
Zowel avontuurlijk en autonoom, als angstig en aanhankelijk. Grote bink en lief klein mannetje.
Soms speelt hij alleen, thuis op de Xbox bijvoorbeeld, dan weer buiten voetbal met vriendjes, als hij die tenminste vinden kan. Want het gebeurt Kees geregelmatig, dat hij, aangemoedigd door pa en ma, met als argument een zonnige dag, naar buiten gaat om met andere kinderen te spelen. Daartoe moet hij het wel buitenshuis zoeken, daar hij het enig Kist kind is.
Vader en moeder Kist hadden hem met alle liefde van de wereld een broertje of zusje gegund, maar hebben de kans een tweede Kees op de wereld te zetten wijselijk niet willen lopen.
‘Je voelt je toch schuldig’, zegt vader, ‘dat je niet meer je best hebt gedaan’.
‘Ikzelf ben ook nooit zo heel ambitieus geweest.’
‘Misschien hadden we wat meer moeten aandringen bij de meester’, vult moeder er op aan, ‘óf zelf oefenen na school.’
Het verdriet is dan ook extra groot, als Kees onverrichte zaken naar huis keert.
Piet is naar vioolles, Quinten naar de bso. Maria naar drama en Ali naar taekwondo.
De familie Kist treurt om Kees’ evidente eenzaamheid.
Morgen moet hij naar het bijzondere onderwijs, voor niet-hoogbegaafde kinderen.
Om alleen nog voor Kees de klas open te houden, ontbreekt het de school dus de middelen.
‘Begrijpelijk’, verzuchten zijn ouders, ‘Misschien zijn wij wel dom, maar we kunnen echt niets bijzonders aan hem kunnen ontdekken.’
(Groningen, Nederland)
De Domtoren is uit mijn spiegel verdwenen, op naar de Martinitoren.
Voorbij Almere-buiten-oost (Muziekwijk, Staatsliedenwijk, Stedenwijk, Verzetswijk) wordt de wereld groter. Land en water. Bomen en landerijen. Rukwinden en majestueus wolkenspel.
Machtig en hemelbestormend. Van maagdelijk wit tot donker als de nacht. Troostend en dreigend. Juichend en beklemmend. Ik ben een Oude Hollandsche Meester, slechts geschoffeerd door het te grote ego van een Amerikaanse hamburger.
Mijn trouwe beestje glijdt soepel over de verlaten vlakte. De winterzon schijnt in mijn gezicht en doet het natte asfalt glimmen. Ik knijp een oogje toe. We kunnen de weg dromen.
De namen hebben een betekenis. Namen met een verhaal, met emotie.
Vrome meisje dragen een Swifterband.
Wat ben jij toch een Han Stijkel!
Lemsterhop in de woestijn.
Heb meelij, heer, ik ben ter goeder trouw en van Luttelgeest.
In Friesland wordt mijn rit een reis. We trekken dwars door de Tjeukerzee.
Eén bootje waagt zich op het woeste water.
Volgens de radio verplaatsen zich vandaag 1 miljard Chinezen om hun nieuwe jaar op de plaats van hun geboorte te vieren. 100 miljard kilometers naar huis.
De aarde gromt, de aarde beeft. Vormloze massa, kritische massa.
Morgen weer, de A2 en 43 uitzichtloze kilometers file.
Maarsenbroek, Holendrecht, Schiphol. De lucht wordt aardedonker.
Ik neem mijn voet van het gaspedaal en laat de auto uitrollen tot stilstand. Mijn kleren werp ik af en ik ga liggen op het koude asfalt van een spitsstrook. Tussen de afgerukte takken en de dode bladeren. Een stomtoevallige hagelbui geselt mijn naakte lichaam.
Gelukkig is het zondag.
Door de grauwe nevel, die over ons bestaan hangt, schijnt plots een helder licht.
Tussen de harde, zwarte kolommen van de vuilwitte realiteit, vind ik zowaar wat kleur op mijn wangen.
De wetenschap heeft eindelijk uitgevonden – wat ik allang wist (sic!) – dat alcohol goed is voor de mens. Het houdt hart en bloedvaten in een puike conditie, maar bovenal scherpt het de geest. De onderzoekers schatten dat de middelbare man één of tweemaal daags drankjes nodig heeft voor een gunstig effect op de hersenen.
Ik neem ze hun voorzichtigheid niet kwalijk, maar waarom zo benepen?
Gooi wijd open die bloedvaten, laat pompen dat hart, fier en potent. Laat de geest uit de fles.
De calvinistische bescheidenheid over ons eigen denken, heeft ons lang genoeg klein gehouden. Ons biologisch plan is veel ingenieuzer dan we durven vermoeden.
Het wordt tijd voor een renaissance.
Ze zouden eens het effect van wetenschap op het brein moeten onderzoeken.
Volgens mij wordt het daar op den duur niet helderder van.
Dit hele onderzoek bewijst maar weer eens het fundamentele onbegrip van de werking van alcohol en de functie van de geest.
“De onderzoekers maakten geen onderscheid tussen bier, wijn en sterke drank. Ze rekenden alles om naar grammen alcohol per dag. Een drankje komt overeen met 10 tot 15 gram pure alcohol.”
Het zijn geen drinkers, het zijn junkies.
De geest laat zich niet slijpen. De geest is slechts een voertuig. En voertuigen en alcohol, dat gaat niet samen.
Alcohol is de olie voor mijn versleten gewrichten.
De contactvloeistof voor mijn zenuwknopen.
Het water bij mijn wijn.
Nog een glas en mijn schoonheid zit van buiten.
Ik denk dat ik voor de zekerheid nog maar niet met roken stop.
FFF