Tegenover waar mijn liefs woont is gesteld
het karkas van een nieuwe bouwen
Geen raam, geen deur, maar lege gaten
Waardoor het winterlicht verbleekt
Van het gebrek aan substantiële zaken
Betonnen rot geraamte, meer is t niet waard
Levenloos, leeg en koud
Wie zich nu nog bovenop waagt
Valt zich domweg naar beneden
En breekt zich de rug, of beide benen
De bouwers zijn achteloos op verlet gesteld, vastgevroren op hun wijf
Ik ben van winter ‘63
Te klein geboren en nauwelijks op temperatuur te houden
De vorst heeft mij nooit meer verlaten
Kleurloze druppels smeltwater op een papieren kater
Waar de schepper twijfelloos ooit schone gedachten heeft gehad
Verrijst nu het lelijk gevaarte
Een pakhuis van geloofde gelukjes
Mij staat het slechts het kijken in de weg
naar de horizon, naar buiten, naar later
JR 01-01-08
Stuur door
Dit is niet OK