De meeste opa’s hebben er een vishengel.
Mijn opa had een denktank in de schuur.
‘Mijn souveniertje uit de oorlog’, gromde hij liefkozend.
Als hij oma, de kinderen en kleinkinderen, of gewoon iedereen zat was, trok hij zich daar in terug. Aan ons kinderen nieuwsgierig te zijn naar wat opa daar nu eigenlijk uitvroot.
Hij had ons weliswaar met een minimum aan woorden en een maximum aan strenge blikken de toegang nadrukkelijk ontzegd, maar dat deed hij niet voor niets, dachten wij te weten.
Het was een onooglijk en weinig indrukwekkend ding, maar opa’s ijselijk gillen van binnen
resoneerde in onze gammele borstkastjes.
Oma deed of ze onze vragende gezichten niet zag en schonk ons nog een glas siroop in.
Dat we een blik door het enige kleine, ronde raampje zouden gaan werpen was even onvermijdelijk als ons groter groeien en het verstrijken van de tijd.
Hij sloeg er kippen zonder kop, met een botte bijl.
In hun wilde vlucht voor opa’s slagveldgeluiden spetterden zij hun bloed tegen ons venster op het gebeuren.
‘Het is gewoon een gastank’, zuchtte oma toen hij eindelijk dood bleef,
en bracht ons nog een pilsie
Stuur door
Dit is niet OK