Najaar
Mama had geen gelijk, hoewel hij dacht dat hij dat dacht.
De lekkerste zonnetjes zijn niet de eersten maar de laatsten.
14 oktober. Tussen de vallende bladeren, stortbuien en windvlagen door, opeens de zon.
Vriendelijk, rustgevend, onthaastend, relativerend en gratis en voor niks.
Een laatste traktatie van de zomer.
Roman liet het zonlicht in de diepe groeven van zijn gezicht vallen. Op zijn glimmende voorhoofd.
Hij was vele malen bekwamer in het loslaten dan in het vasthouden.
Veel begaafder in het verliezen dan in het winnen.
Belofte maakt schuld.
‘Laat maar vallen die zooi!’ riep hij tegen zijn appelboom ‘in dit jaargetijde is het ieder voor zich.’
Je zag ‘m zijn wortels krampachtig diep in de aarde klauwen, tenminste dat zag Roman.
Hij liet zijn laatste vruchten, waar niet gegeten door ongedierte, te rotten.
Er had reeds een harde strijd gewoed tussen eksters, merels en spreeuwen, in de bovenste takken van de boom. Pesterig, spottend, instinctief bewust hadden zij de appels aangepikt.
En de onderste vielen nu.
Hij drukte zijn tong tegen het koude raam. Het raam van de schuifdeur van zijn woning. De schuifdeur die open ging bij mooi, en dicht bij slecht weer. Het glas waartegen het zwetende lijf van zijn beste vriend had geleund, zijn kinderen (3 zoons! Roman had 3 zoons!) hun vette vingers hadden gedrukt.
Het glas waartegen de regen had geslagen en de sneeuw en de droge wind.
Het raam dat werd schoongewreven, gezeemd, geboend en gelapt.
Waar vogels tegen scheten, ballen tegen kaatsten.
Insecten zich te pletter vlogen.
En waardoor van de zon slecht de inhoudsloze warmte bleef.
Schijn zonder effect.
En waardoor hij naar de wereld keek. Of de wereld naar hem. Dat wist ‘m nooit niet.
Zijn smaakpapillen tintelden. Van sensatie of van afgrijzen of van tintelen.
Hij schreef Gabriella, zijn Gabriella een gedicht, met 7 poten:
Schuim
Als ik mijn bek allerverst opensper
En mijn lustig gedomde tong
In jou jouw wereld druk
Waar je leeft, je ademt en smaakt
Jij, vrouwe
Je me ontmoet me in een paringsdans
Van blote naakte slakken
Schuimend, glijdend en kwijlend
Het zoet van je verlangen
Het zout je van je tranen
En het bitterste van je achterste
Mijn woorden nog gebarentaal
Mijn tanden als neerlandikus
Van elke beschaving reeds ontbloten
Gebroken in jouw taaltjes
Scherven van een samenhangend zeggen
Niks niets meer dan ‘Ja’
En het breken
Van elkaar
Aan elkaar
Langs mijn benen
Gabriella vroeg hem nog, of ie het verschil wel wist, tussen sensualiteit en seksualiteit.
En hij zeide ‘Ja’ met grijnzen.
Grijnzen van pijn van frustratie van eenvoud van veelvoud van oneindigvoud
‘Je kunt het leven niet in één dag leven, Roman’, zei mama
En toch deed ie het weer telkens weer onweer noodweer.
Knuppeltje.
Als een razende rivier door de overstromende stad.
Bruin water.
Waarin auto’s, banken, stoelen, vuilniszakken en mensen werden meegesleurd.
Zag je slechts op het journaal in verre vreemde landen. Andere beschavingen. Pfff. Laat me niet lachen.
Stuur door
Dit is niet OK