De reis en het afscheid
Primitieve gewoonte eigenlijk, zwaaien. Heen en weer bewegen met de hand, in korte snelle bewegingen. Of lang en traag, bijna dramatisch, met de onderarm of zelfs de hele arm.
Roman deed het raam dicht zodra zijn auto enige vaart had. Hij hield niet van het gewapper van de wind door het openstaande raam. De gesloten auto met het door de airco gecontroleerde klimaat gaf hem de rust van de isolatie, de stilte, zijn individuele reisbeleving.
Lekker rijden, met een beschaafde snelheid, eindpunt onbekend. Geen reden tot haast of jakkeren.
Op de achterbank hadden de kinderen steeds op hun eigen wijze de reis ondergaan. Lezend, gamend of slapend. Soms keken ze naar buiten, maar niet bijzonder veel, en van de route namen zij weinig notie, noch van de reistijd. Ze stoorden hem nauwelijks en waren daarmee ideale reisgenoten.
Eerst maar even de tank weer volgooien met de goedkope Spaanse brandstof. Je zult maar zonder komen te zitten. Hij placht voor een lange rit ook de bandenspanning te controleren. Immers, sous gonflé est danger. Er kan nogal wat mis gaan, als je erover nadenkt. Verkeerde route nemen, zonder benzine komen te staan, achterop een file knallen, lekke band, klapband, slippen, uit de bocht vliegen, creditcard die op is, te weinig drinken, in slaap vallen of een hypo krijgen.
Het perslucht apparaat bij het tankstation bleek, ondanks luidruchtige aankondiging op een bord, niet aanwezig. Typisch Spaans, gromde hij liefkozend. Alles hing er, het bord dus, de slang, maar geen apparaat.
Roman schopte eens tegen de banden van de auto om op deze alternatieve wijze vast te stellen of ze bedrijfsklaar waren. Ze leken wat slap, maar niet alarmerend. Bij een volgende tankbeurt nog maar eens. Hij checkte zijn bloedsuiker nog even, voor de zekerheid.
‘Angst en seks gaan niet samen’. Het waren de enige woorden die hij had onthouden.
15 jaar waren ze samen geweest. Zij was psychiater en kon het dus weten.
En er waren talloos veel liefhebbende woorden geweest. En evenzo vele verwijten.
Ze hadden elkaar met de zinnen die ze dichtten gevonden. In de juiste volgorde kunnen woorden zinvolle en zinnelijke zinnen vormen, waardoor de taal boven zichzelf uitstijgt en tot leven komt.
Michelangelo zei het al op het plafond van de Sixtijnse kapel, maar nog zonder woorden, de lafbek.
De volgorde, het aantal, het moment, het ritme en de intentie, op een zeldzaam moment van samenvallen, in het hier en nu.
Vroeger.
Je zult er maar naar op zoek zijn.
Ze bevredigden zich seksueel, met of zonder haar, op of onder haar, in of over haar, of in eigen hand.
Zelfs dat wist hij niet meer. Ze was daar, ze waren samen daar, en ze bespraken zijn angst, zijn paniek.
Dat wist hij wel nog zeker.
Ergens bovenin hun gezamenlijkheid, dichtbij hun beschaving, waar loyaliteit, respect en verdraagzaamheid huist, hun gemeenschap (van goederen), vond er nog communicatie plaats.
Het grote lichamelijk consumeren was werktuiglijk, waarbij hij vooral nog haar onvolmaaktheden zag.
Eens had hij ze bemind als overrijpe vruchten, gulzig en vochtig, zoet en adelijk als vijgen.
Nu de moedervlekken krenten op haar rug. De door hun kinderen leeggezogen tieten als levenloze huidplooien. Haar rimpels, haar aderen, haar bewegingen, haar praten. Haar boosheid, haar teleurstelling, haar verdriet. Zij was het niet meer.
Angst is niet kunnen ademen en stikken in diens eigen snot. Angst is het hart kloppen of juist het stoppen. Angst duizelt in het hoofd, doet het lichaam trillen. Angst is het sterven van genot.
Hij verliet Spanje weer, met een verstandige 130 km/u, een volle tank en een keurige bloedsuikerspiegel.
Bij het binnenrijden van Frankrijk realiseerde hij zich dat ie een keus zou moeten gaan maken bij Montpellier: de oude vertrouwde route over de A6, of de nieuwe route via Millau. Er waren veel goede redenen bedacht om Millau te nemen, op deze rode tot zwarte Zaterdag. Minder drukte, mooie nieuwe route, tolvrij. Zijn automatische piloot neigde toch naar de oude route. Nostalgie. Ook een mooie motivatie. Het idee alleen al beklemde hem onmiddellijk. Elke stad, elke afslag, elk kilometerbord zou hem vertellen hoe ver hij nog moest gaan. De ingebouwde stopwatch tot op de seconde nauwkeurig.
De route waarvan zijn vader van elke hectometerpaal wist te kennen. Bij elke geslagen paal een herinnering. Aan bezienswaardigheden, aan roofvogels, het landschap, lekkere restaurantjes en obscure riviertjes. Maar nooit aan moeder. Pont du Gar, rode wouw, Mont Ventoux, La femme sans tête. Bakens. Bakens en boeien. Het zou hem opjagen, voortjagen, het aftellen was begonnen.
De angst sloeg hem op de adem. Maar zijn angst zou hem ook beschermen, tegen in slaap vallen, bijvoorbeeld.
‘Millau, it will be‘, sloeg hij zich op de borst, de avonturier.
En aldus geschiedde. Soepel slingerde hij zijn wagen voorbij Pezenas het massief in.
Je moest het de Fransen toch nageven. Niet alleen het alom als zodanig erkende meesterwerk ’La viaduct de Millau’, waarvoor wij met alle plezier 7,90 euro neerleggen, maar de hele autoroute erheen is een lust voor het oog, een miracle, superieure autoroute-technologie, joie de vivre. Hij gooide al zijn beste Frans er uit, volle borst en zonder publiek. Hij zong Brel, Marieke, Marieke, je t’aime tant, Ne me quitte pas, Les Flamandes, le plat pays, hoewel zonder reden overigens.
De auto slingerde zich op het randje van zijn kunnen door de welgevormde bochten, langs de schitterende wrede kloven. De bochten waren scherpe dan vermoed, de rijbanen smaller. De vrachtauto’s breder, en als er eentje naar links zou komen bij zijn inhaalmanoeuvre. Rustig aan, Roman, rustig aan, je gaat te snel.
De kersen op dit smaakvolle stuk Franse patisserie waren de bordjes langs de weg waarop de hoogte waarop hij verkeerde werd benoemd. Altijd leuk om te weten. Altitude 868 m, 911, 1038 en tot zelfs 1128. De juiste keuze, deze route. En, haast ongemerkt, al 400 km asfalt versleten.
400km afgelegd, nog maar 1000 te gaan. Nog 1000 te gaan. Roman keek op de klok. 13:02.
Een snelle rekensom. 13 + 10 = 23. Haalbare kaart, vandaag. In één keer.
Stil
En toen stond hij stil. Helemaal stil, bewegingsloos stil, zonder snelheid, zonder verplaatsing, zonder tijd, zonder gevaar. En nadat hij zijn motor had uitgedraaid, was er slechts nog het geruis van geduldige Franse bomen. Opeens eeuwige Franse bomen, die nooit anders deden dan staan en ruizen. Hij keek naar de bomen en hun groen met hun zwaaiende takken en hun bladeren die, die, die wat? Wat eigenlijk? Hoe noem je dat, hoe die bladeren bewegen? Hoe kan je dat zeggen, met woorden, in woorden? De bladeren die het geruis deden, of lieten doen liever, door de wind. Weer die wind, die er altijd is, in al z’n hoedanigheden. Altijd er overal is Hij! Hoe handig, hoe knap, hoe relaxt ook, eigenlijk, leek het hem. Er altijd overal zijn. In al je hoedanigheden. Maar dat soort dingen dacht Roman alleen in dit soort onoverkomelijke situaties waaraan geen ontkomen aan is.
Hij had wel geluisterd, maar niet geluisterd. Radio 107.7, verkeer en Tour de France. Ze hadden hem wel gewaarschuwd dat er tengevolge van een ongeval waarbij een vrachtwagen en een caravan (altijd die caravans!) betrokken waren beide rijbanen waren afgesloten. Dat een vader daarbij het leven had gelaten. Zijn twee zoontjes en de geschaarde caravan bleven achter. Die kokette Française had tegen hem geroepen, dat er geen doorkomen aan was. Ze had hem met haar verleidelijke stem geïnformeerd dat er een stilstaande file van 40 km voor hem wachtte, op hem wachtte. Een muur van 30.000 stomme auto’s met stomme bestuurders, die in al hun eigenwijsheid en hopend dat de waarheid niet bestond keurig aansloten in de rij van makke schapen. Zij die dachten dat het niet om hen ging, en daarvoor nu moesten boeten. In oververhitte automobielen, in de pesterig trage wachttijd. Ze had hem met haar zoete woordjes in het oor gefluisterd dat hij beter een afslag kon nemen, evacuer l’autoroute. Hij was in de ban geraakt van haar hese geluid, met de tintelende prikjes van de accenten van de Franse woorden, op het juiste moment, in de juiste richting. Accent aigu, accent grave. Naar voor of naar achteren, heen en weer. De Lorelei van de Franse ether had hem met haar hypnotiserende zang anders dan verstandig doen besluiten.
En toen was er geen afslag meer te nemen.
Behalve deze, waar hij nu stond. Bomen, gazon, picnic-tafels, afvalbakken en een toilet. Schaduw.
En hij hoorde de bomen. En, op de achtergrond, als je goed luisterde, het slapende maar zacht en laag grommende monster, op 40 km van de hitte zinderend asfalt, tussen hem en huis. Thuis.
Hij kon geen kant meer op. In de schaduw van een boom.
Roman glimlachte. Deed zijn ogen dicht voor een genezende slaap. Die alle wonden heelt, als vette zalf. Als haar zachte vingers op zijn voorhoofd. Als de geur van zijn jongste kind, in zijn armen.
De kinderen!
Roman schrokt wakker uit z’n bijna-slaap, draaide zich met ruk om naar de achterbank, om met een zucht vast te stellen wat hij door zijn eigen verbazing over zoveel domheid heen wel wist. Ze waren er niet. De kinderen waren er niet. Niet bij hem. Niet bij deze vader, die dus geen vader meer was, technisch gesproken.
Stil. Doodstil was het er wel. En zwart.
Na lang stilstaan. Na weer rijden, als de file bleek opgelost. Files lossen altijd gewoon weer op. Verdwijnen. Onneembare blokkade verpulverd door een paar uurtjes slaap. Je zou aan het bestaan gaan twijfelen. En het asfalt ligt onschuldig aan en onwetend van al het voorafgaande open. Snelheid. Kilometers. In één mooie lange rush, een ademtocht, naar huis. Ongehinderd.
Nou ja, ongehinderd. Altijd was er nog Paris, fucking Paris. Opgedoft, poederig, mieterig, maar in werkelijkheid stinkend naar smeltend asfalt en uitlaatgassen. Betonnen buitenwijken. Allochtone rellen. Brandende autowrakken. Hoofddoekjes verbod. Paris met z’n zwierige, arrogante, nichterigheid. Door zichzelf uitgeroepen tot het mooiste jongentje van de klas, en daarmee zich als sta-in-de-weg verantwoordend. Zelfingenomen betweter. Xenofobe man van de wereld. Autist! Narcist!
‘Ongeluksparis met uw mooi gezicht, verleider! Waart ge maar nooit geboren, of voor uw huwelijk gedood. Ja, dat was mij veel liever geweest, dan nu een schande te zijn voor anderen en door iedereen veracht.’
‘Hector, uw verwijt is verdiend, niet meer dan mij toekomt. Onverbiddelijk is steeds uw hart, als de vaardige bijl in de hand van de man, die boomstammen klieft - hij hakt een balk voor zijn schip en de bijl versterkt de zwaai van zijn arm - zo onvervaar is het hart in uw borst. Verwijt mij niet de lieflijke gaven van de gouden Aphrodite. Niet verwerpelijk zijn de kostelijke gaven der Goden, al wat zij zo maar geven. Zelf kiezen kan men niet.’
Aldus dichtte Homerus. Als die al bestond, bestaan had. Als die al een broer had, gehad had.
Nooit hadden ze de moeite genomen er een fatsoenlijke omweg te leggen. Of een wijde boog erom. Een brug met gelijke leggers, over het hele zooitje heen. Voor hen die er niet wilde gaan, of zijn.
Nooit hadden ze de moeite genomen er een fatsoenlijke omweg te leggen. Of een wijde boog erom. Een brug met gelijke leggers, over het hele zooitje heen. Voor hen die er niet wilde gaan, of zijn.
Als jongentje, beginnend puber allicht, had hij zich vergaapt aan de Franse beachboys. Van die moeiteloze mooie bruine slanke krulleriger witgebitte goedlachse knipogerige nichtjesverleidende, mannetjes! Ja mannetjes waren het, hij kon ze makkelijk hebben op zijn gezonde noordeuropese massa.
Hun blauwe gympies, opgerolde spijkerbroek had hij kopen kunnen. Hun vetloosheid en nekkrul niet.
En het blauwgroene shirt dat ze droegen, verkreeg men in Nederland in die kleur niet. Nooit niet. Altijd net niet. En daarmee een vlag op een modderschuit. En beter niet gedragen.
De nacht was gevallen, als pleister op de wonde. En dan was er België. Een laatste hindernis in de tijd, in het verlangen, in zijn slecht verlichte haast naar het eind. Lelijke zus van Helena, die jou wel wilde. Arm België, nooit meer dan een vluchtige passage, een affaire voor een nacht, tegen de zin bijna, maar onvermijdelijk. Een paar uurtjes slechts. Zonder spijt over haar gereden.
De betonplaten van de snelweg denderden door zijn auto, door zijn lichaam, door zijn hoofd, allen één nu. Ze vonden het ritme dat hen paste. Om juist nog wakker te blijven, met minimaal benodigd bewustzijn. Of om in slaap te vallen. De gemene tikken van het beton werd gedempt onder de zolen van zijn voeten. Hij had zijn schoenen uitgedaan.
De auto leek hem te ontsnappen, uit zijn kundige armen te gaan. Het zou de vermoeidheid zijn.
Als de auto straks zal stoppen. Lichten uit. Klaar.
Niet alle angst is ongegrond, zo bleek gelukkig maar weer.
De rechterachterband van de auto bleek langzaam maar zeker leeg te lopen.
De nuchtere ochtend aan het einde van zijn thuisreis zag hij zijn lieve trouwe auto (ze had hem toch maar weer veilig thuis bracht!) wat schuin uitgezakt staan. Ze stond op één been geleund, met haar hand op haar heup. Alsof ze zeggen wou, van ‘zie je nou wel’.
‘Shit, lekke band. Wat nu?’ en dat soort gedachten.
Maar dan blijkt er steeds weer een verbluffend eenvoudige oplossing.
Kwik-fit.
‘Een prop of een nieuw bandje, meneertje.’
En zijn de laatste 80 euro
Pijnlozer uitgegeven
Dan een viergangenmenu
Stuur door
Dit is niet OK