Member details
Gebruikersnaam
Wachtwoord
 
Wachtwoord vergeten?
 
 

Tarragona

 
Tarragona

Tegen beter weten in - zoals hij zichzelf graag wijs maakte - had hij zich verheugd op thuiskomen. Thuiskomen in zijn woning. Alles was hier van hem, voor hem, door hem. Niets en niemand anders.
Volmaakt tot een vierkante doos om zijn hoofd.
Hij plofte op de bank, in het kussen, in de deuk die op hem had gewacht. Bakkie versgezette koffie, sigaretje erbij. Zich verkneukelend trok hij zijn laptop als de kat die hij niet had op schoot.
In blijde verwachting opende hij zijn email: één bericht.

Gabriella was er niet. Ze scheen nooit te zijn waar hij was. Behalve op de begraafplaats, natuurlijk.
Hij dacht te weten dat het niet was dat ze hem ontliep of zelfs voor hem vluchtte.
Het was gewoon haar aard.
Ze liet hem meestal wel na, waar ze uithing. Zonder consequenties, zonder strekking. Maar hij las de berichten anders. Hoe zeer zij ook haar best deed om geen enkele richting aan haar berichten te geven, hij liet zich toch sturen. Ze schreef hem zonder extrinsieke boodschappen. Niet dwingend, niet uitnodigend, zonder verwachtingen. Voor hem werd het des te meer een opdracht.
Het was een spel dat ze speelden. Onafgesproken. Met ongeschreven regels. Zonder einde.
Ze vroeg hem niets, ze raadde hem ook niets af.
Het maakte zijn thuiskomst onmiddellijk weer vergankelijk. Hij kon er wel om janken, van vreugde, omdat hij wist wat zijn enige antwoord zou zijn: zoeken.

Reizen was simpel, gewoon een kwestie van op het juiste moment op de juiste plek. En dan maar wachten tot het vervoer hem bracht. Er is ook braafheid in reizen. Onze kaartjes tonen wij allen, op verzoek, en daarmee zijn wij waar we mogen en moeten zijn. Knip! Doorgeslagen bevestiging van juiste aanwezigheid. Twee seconden rust. En bijzonder prettig door de eindigheid ervan. Op een gegeven moment is het spoor op, de tank leeg. Zou hij zich niet door laten tegenhouden, tenzij het hem schok (schikte). En het schok hem nog al eens gemakshalve.
Het vervoer laat geen twijfel over tijd. 1 uur, 46 minuten. Van zijn leven, dat stond even stil. Met een onvermijdelijke logica, van bus-trein-vliegtuig-metro-trein, niet van af te wijken. Uiteindelijk uitmondend in het wijde gat, naar buiten klotsend, gulpend, uitgespuugd door het transport, als Jonas door de walvis, van aankomst, stilstand, realisatie en weer beweging. Op eigen voet, op eigen geest, op eigen willen (of moeten). En om het nog extra gestalte geven, wees hij geaircondisioneerde taxi’s af, ondanks ongetwijfeld uiterst betrouwbare chauffeurs, als lelijke vrouwen met een goed aanbod op een moment van zwakte. Als een hoer met haar veel te eenvoudige oplossing, als een verstandige keuze, hahahahahahaha, niet met deze jongen. Als elke reiziger kon hij de weg wel vragen, en iedereen kon hem die wel wijzen, of voor geld of voor niets. Maar waarom?
Hij kende Tarragona niet, maar hij kende Tarragona wel. De door de wind gedragen verschroeiende hitte. Het wuivende gepalmte. De oplopende straten, en de koele ratio van de schaduw aan de andere kant van de straat, liever het heerlijke zweet des aanschijns, als het ware het een prestatie.
Liep hij door stoffige straten. Liep hij door. En vond wat hij vond, zijn hotel, haar hotel, door haar aangewezen, als plek, als oplossing. ‘Andra moi ennepe Mousa polutropoon hoos malla polla’, etcetera.
Mooi verhaal wel, maar de held Achilles stierf, vanwege onvolmaaktheid, vanwege een zwakkeling, die zich tussen neus en lippen ook nog van de mooiste vrouw der wereld voorzag. En Odysseus’ vrouw belazerde hem met een huis vol vrijers, zo noemde ze ‘t toch. En hij stierf met de held. Maar moest nu even lopen, hinkelend. Met een door een brandende, gepunte staak uitgestoken oog. Ze zijn oneindig mooi, woorden.

Blij verrast kon je haar niet noemen, maar ze leek het oprecht fijn te vinden hem te zien en ze luisterde geduldig naar zijn hijgerig vertelde verhalen. Af en toe schudde ze het hoofd, om zijn domheid waarschijnlijk, en prees hem voor zijn intelligentie. Ze leek telkens weer, als voor het eerst, geamuseerd door zijn heilig moeten. Ze zou erom glimlachen, als hij haar weer even ergens vond, en hem langs zijn wang strelen. Net genoeg om hem gerust te stellen, maar zonder hem te overtuigen van de juistheid van zijn keuze. En zonder woorden, die hij haar zou moeten gaan vragen, terwijl zij al weer liep.
Hij zag haar van achter. Haar lichte, zwierige loop met aan weerszijden bij het wisselen van het voorste been een lichte knik in de heup, een korte trilling van haar billen. Alsof ze het er om deed, maar soms is de natuur - op verlichte momenten - zichzelf. Veel mensen gebruiken hun benen om hun gewicht te dragen. Gabriella’s benen droegen haar niet, ze accentueerde haar. Ze waren geen middelen, maar de redenen, niet de instrumenten maar de muziek. Niet de woorden, maar het gedicht.
Roman werd zich zijn plaats pijnlijk duidelijk, zat neer naast zijn onmacht, op de leeg gelaten plek. Eerste rang, dat wel, en dichter bij zijn podium.

De jurk die ze droeg was zo Spaans als haar omgeving (zij paste overal, zonder moeite, de randvoorwaarden waren haar slaven): blauw met niet te grote niet te kleine witte stippen. De jurk liet haar frêle schouders vrij en tekende de lijnen van haar lichaam tot net boven de knie. Niemand liep zo makkelijk op hoge hakken als zij. Elk ander schoeisel zou haar elegantie onwaardig zijn, ondanks blaren onder haar hak, ondanks bloed tussen haar tenen.
Hij moest haar volgen, zoals gewoonlijk met geen idee waarheen. Ze liet hem graag in het ongewisse.
Zijn irritatie zalfde ze met haar ogen, waarmee ze hem over haar schouder aankeek. Het leek op verdriet, maar kon slechts liefde zijn. Hij volgde het spoor van haar geur, met een geforceerde pas, waarmee hij haar ternauwernood inhaalde.
Hij rookte 20 sigaretten in een uur, met lange zuigende trekken tot diep in zijn longen, verdunde met sangria zijn bloed, at zijn vette, zilte paëlla, terwijl het water van de Middellandse zee hem bijna in de schoenen spoelde, de warmte in zijn botten bleef, en toen ze het vroeg, vertelde hij haar, de leugenaar, het gaat mij goed!
Ze sprak van haar veel te volle leven en de tijd die er niet was. Hij luisterde zonder te verstaan, naar haar stem. Hij las haar lippen. Hij probeerde naar haar ogen te kijken, door de zonnebril die ze ondanks het de invallende duisternis nog droeg. ‘Je kent mijn ogen toch?’, vroeg ze niet vragend.
Onder tafel had hij zijn knie tegen haar been gesmokkeld. Ze vond het best. Af en toe legde ze tussen haar woorden haar hand op zijn arm. En dan wist hij dat ze liegde (loog).

De hoge, ruime lobby van het hotel was leeg. En koel. De nachtreceptionist had zijn post gelaten.
De marmerige tegels glansden het discrete licht, gaven elk geluid zijn maker duizend maal terug, als een herinnering voor later. Zij absorbeerden geen verantwoordelijkheid. Horen, zien en zwijgen. Als eunuchs van de keizerin, met versteende gewaden.

Ze draaide ze zich naar hem toe, met een milde, vermoeide glimlach.
‘Stap voor stap, Roman,’ fluisterde ze, zuchtend, terwijl ze zich tussen zijn armen liet.
Hij kuste haar op de wangen, waartussen haar mond. Zijn mond. Als parende naaktslakken. Maar dan sneller. Hij voelde haar tong rond de zijne draaien. Maar vooral de smaak. De smaak bleef. Paëlla, sangría, sigaretten en - bij het van elkaar glijden van hun lippen, met het laatste puntje van zijn bovenlip voor een moment plakkerig op het dikste deel van haar onderlip - de dood. Zo noemde hij het maar, als er geen woord voor was.
Ze deed een stap achteruit. Hij kon haar gezicht nog net tussen zijn handen houden. Hij deed haar haar naar achter. Haar blonde haar, haar zwarte haar. Ze haalde zijn handen van haar gezicht en nam nog wat afstand, zodat hij haar beter kon zien. Ze was klein. Haar gezicht was zacht. Zacht en paarsig, grijzig, zonder veel detail. Ze was veranderd.
‘Weet je, Roman?’ sprak ze zacht ‘ik ben Gabriella niet. Je kent me niet.’
Het verbaasde hem niet meer. Hij nam haar zoals ze kwam. Iedere vrouw kon smaken als zij. Of zij kon smaken als iedere vrouw. En dat was het.

Daar stond hij: op straat, in een onbekende stad, 1500 km van huis.
Maar de nacht was warm, wijds, gastvrij en vriendelijk.
Roman gromde en glimlachte en ging. Op zoek naar het station.
Hij zat op een bankje op het perron. In de nacht, in het donker, met de zich tegen het enige licht stuk vliegende insecten. Hij had er zo vaak gezeten. Zolang het maar niet koud was. Met een café solo en een Fortuna. Ze legden een stevig fundament onder de aanstaande nieuwe dag. Een ondergrond waarop hij kon staan. Een roestige ijzeren rijplaat op het gelige, borrelende moeras van de vorige nooit afgesloten dag. De dag die dus nog eeuwig zou blijven duren. Onder al het andere. Onder de uren, onder de dagen, onder de weken, onder de maanden, onder de jaren.
Het maakte hem aards en zielsbedroefd. Tussen alle ijle en ongrijpbare werkelijkheden.

Roman’s drank was weer eens op. Gelukkig was er de buurvrouw. Iets bedremmeld vroeg hij het haar.
Soms is het leven mooi en voorspelbaar. Ze had nog wijn. ‘Frans of Spaans?’ lachte ze hem uit.
Vrouwen zijn een complot.
Vino tinto, De Muller, 2008, Tarragona. Denominació d’origen.
Vrouwen zijn toverkollen.
Met hun brouwsel,
Dat hij dronk, in de deuk, in het kussen, op zijn bank, in zijn huis.

 Stuur door   Dit is niet OK 

 
 

Favoriete blogs

Links

 

Tags