Wegen
Vrouwen hebben wegen.
Onbeholpener dan dat kon hij het niet zeggen. Op het moment dat de juiste woorden elkaar op het juiste moment hadden moeten treffen. Hij kon wel uitleggen wat hij bedoelde, gelukkig.
Maar met zinnen van noeste arbeid, geen gevleugelde woorden.
Net zo als wanneer hij zijn vingertoppen over een ribbelig, ruw oppervlak liet glijden, dat als in de zon smeltende boter zou moeten aanvoelen: romig, glad en weerstandloos. Zijn vingers hobbelden over haar rug, zoals zijn auto die tot stilstand komt bij een verkeerslicht op het door te zware trucks opgeduwd asfalt.
En zijn hele lichaam schudde mee.
Er was altijd een plek op haar lichaam dat hij aan moest raken, zonder twijfel. Hij wist waar zonder waarom.
Hij hervond de wijsvinger van zijn linkerhand in de plooi van haar rechterbil. Hij tilde haar bil even op en liet de vinger er zover mogelijk onder voor een klein moment, daar in haar boter. Dan voelde hij hem gijden via haar bekken, haar lenden, tot op haar rug. Dan met al de andere vingers van zijn hand langs de knobbels van haar graat, via de afslag schouderblad, langs haar jukbeen, in haar nek. Onder haar haar. En een kneepje in haar oorlel tot slot. En vice versa. Elk plekje op de weg had z’n logisch aantal vingers, z’n kant van de hand, palm of muis, z’n druk, een kneep, een aai, een wrijf, z’n snelheid, z’n herhaling. En van zulke paden had zij er velen. Zoals elke vrouw, maar steeds net ietsje anders. Subtiele verschillen van een groot belang. Een pukkel of een putje kon van een groot belang zijn.
Waarom dacht hij het meer dan dat hij deed? Hij was meer bezig met het denken wat hij deed, dan met het doen dat hij deed. Hij visualiseerde de weg van zijn hand. En zij werd een beeld, een sculpture, een schilderij misschien. Met zijn hand als kwast op het doek.
Wellicht was haar huid geolied en glad, wellicht zijn vingers ruw en droog.
Vrouwen hebben banen, paden, van God ingesleten wegen, die de mannenhand leiden, in één eenduidige richting. Dwingend als schoonheid. Omdat ze er liggen.
Hij legt zijn hand op een willekeurige plek op haar huid. Hij sluit zijn ogen. En zijn hand gaat, gedachteloos, inspanningloos, voortbewogen door haar kracht, zwaartekracht, door ten overvloede onzichtbaar genoemde magnetische velden. Als over een Ouija-bord. Van buiten zichzelf gedreven.
Heen en weer zal zijn hand gaan. Keer op keer, niet omdat het moet, maar omdat het zo is. Niet plichtmatig, maar werktuiglijk. En elke keer volgt zijn hand precies hetzelfde pad. En zij kreunt. Van genot, terwijl het maar een eerste stap is naar genot.
Of is het daar waar zijn gedachten verkeerd afslaan? Is het daar waar hij begint te zoeken naar het onvindbare. Of is het vinden dommer dan hij dacht? Is het vinden hier, nu, dit? Dan is het klaarkomen slechts het klaarkomen, als bevestiging van het genot. Het bewijs van de daad. En heeft hij dat ten onrechte heilig verklaard. De verkeerde godin aanbeden. Langs een te lange route naar het bedevaartsoord gelopen om op zijn kapotte knieën te kruipen naar de grot van haar verschijning. Zich te laven aan haar geneeskrachtig water. Het mysterie dat slechts leeft van het verkopen van souvenirs. Om het verkopen van souvenirs.
Gabrielle lag op haar buik over zijn benen heen. Ze kon onwaarschijnlijk zwaar liggen. Haar toch slanke lichaam drukte harder op zijn benen dan op basis van m=g.a verwacht mocht worden. Hoe deed ze dat? Hoe kon zij haar lichaam zo schaamteloos zwaar in zijn schoot laten rusten? Ze deed het met de luchtigheid en vanzelfsprekendheid waarmee ze hem vertelde dat hij haar ongelooflijk lekker had doen klaarkomen. En hij geloofde haar. Ze was zijn grote liefde. Dat wist ie zeker.
Roman voelde zijn bovenbenen langzaam gevoelloos worden. Gabriella’s ribben prikte in het vlees van zijn bovenbenen. Het was ook te warm om zo op elkaar te liggen.
Zijn zware lichaam liet hij nooit volledig op haar rusten, daarvoor was zij te frêle. Hij steunde stevig op zijn ellebogen als hij op haar lag en haar met zijn te harde penis wilde penetreren.
Op een lelijke vette witte hoer laat je je zwetend stinkend lichaam hijgend vallen.
Niet op schoonheid, niet op liefde, niet op porcelein. Als het breekt is het kapot.
Gabrielle merkte dat hij was gestopt. Zijn hand lag roerloos op haar rug. Zijn hand kreeg geen opdrachten meer. Knorrig drukte zij haar lichaam tegen zijn hand. Maar ze vroeg teveel, van hem.
Om te kunnen schrijven moet je een verhaal hebben om te vertellen. En Roman had geen verhalen. Hij had slechts zijn leven, dat nog moest beginnen. Het werd tijd daarvoor. Waar wachtte het leven nog op?
Schrijven zonder een verhaal, is als braken zonder kots. Als alles er al uit is. Alleen nog maar zuur rest.
En het lichaam kokhalzend en schokkend op zoek is naar houvast.
Stuur door
Dit is niet OK