Ergens van ver diep vandaan moest hij toch respect voor zijn oude vader halen.
Hij deed het toch maar wel, die 1400 lange warme kilometers, zonder airco, zonder abs, zonder 1800cc,
zonder cruisecontrole, zonder tomtom. Zonder bagageruimte. En…zonder autoroute. Teminste, vanaf de mooie lange plantanenweg Pont-Saint-Esprit in. Daar nog beschaduwd, maar vanaf de benauwende brug de dorpjes, de stoplichten en het stilstaan, zodat ook de wind nog zijn adem inhield. De trage voertuigen, de hachelijke inhaalmanoeuvres, de terechtwijzende witte, Franse pijlen op het smeltende asfalt en de onverbiddelijke zon op de plakkerige neplederen bekleding, waartegen geen handdoek tussen het raam geklemd meer hielp. En roken voorin, kinderen achterin, en het hysterische zagen van de chigalles en moeder die riep dat ze zou sterven. Maar dat geloofden zij natuurlijk niet.
Het waren lange dagen, op de achterbank, vechtend tegen de irriterende zwetende ellebogen van zijn broertjes. Hopend op de goede kant van de auto, aan de schaduwzijde. Maar in elk geval niet in het midden. Het waren lange dagen, die hij per lange trage kilometer telde. De kilometers die hij zou goed kende. Chalon, Nimes, Montpellier, Narbonne, Bezier, Perpignan, Le Boulou, met ingehouden adem voor de norse Spaanse aduana, maar dan La Jonquera! En we zakte soepel de Pyreneen uit, Figueras, San Pere. Het waren lange dagen, maar zolang de auto maar niet stopte. Zolang moeder het maar toeliet, het lijden, als het einddoel maar werd bereikt. Het waren lange dagen toegediend als een verdovend middel, als verslaving, totdat de autodeur dan eindelijk open ging. En hij er was. Dat moment maakte het lijden alleen maar mooier, om na te vertellen later. Want we hadden het één dag gered. Niks geen koel hotel met heerlijke zachte bedden, niks geen lekker uit eten op z’n Frans. Geen croissantje en warme chocolademelk voor ontbijt.
Droge kontjes pan, chocolademelk van Ram, en chupa chups, de zee, de bergen van Rosas en La Escala, het brandende zand van het strand en het koele, stinkende moeras van de Fluvia aan onze voetjes, het aanhoudende klapperen van de vlaggenmasten met de triomfantelijke Spaanse vlag. De Guardia Civil met grote geweren en rare helmen, tegen al het gevaar dat ons mogelijk bedreeg. En de familie, van ooms en tantes, van neefjes en nichtjes en vooral van ons. En dan maar hopen dat de vier weken eeuwig zouden duren, en dat leken ze ook, maar eens hielden ze op. Hij was er gelukkig, als geluk zo voelde als hij het zich herinnerde. 4 weken per jaar.
En dan maar in één dag terug, met het verlangen naar het stilstaan in de donkerte en de uitlaatgassen van de Fouvriere-tunnel in Lyon. Het einde van het begin heen, en het begin van het einde terug. En bij aankomst thuis, in een regenachtig Nederland niet meer uit de auto willen stappen. De auto zat hem zo strak, dat hij er bijna niet meer uit kon kruipen.
Achterlijk avontuur eigenlijk, niet verstandig, maar je deed het maar wel, papa.
Nu, bijna 40 jaar later, zijn het strand en de zee gebleven. De paarsige heuvels van Roses, de wind.
Maar verder is alles anders. In één keer rijden is geen optie meer. Ondanks betere auto’s en betere wegen, en een betere chauffeur. De wegen zijn overvol, de haast is weg. En waarom ook, de reis is deel van de vakantie. Roman zou het rustig aan gaan doen, en dan maar zien.
De auto’s stonden geparkeerd met hun ruggen naar elkaar gekeerd. Met de achterkleppen open, als een stomme nabootsing van een gesprek, met wat fantasie. De vakantiespullen werden overgeladen, net als de kinderen overigens. Van papa naar mama, en weer. Weer afscheid, weer reis.
Papa gaat nu echt, in zijn automobiel. Rechte rug, volle tank en een slof Fortuna’s als metgezel.
De kinderen op de achterbank zagen het riet eindeloos wuiven, van vaarwel, of kom snel terug.
En ze moesten er altijd al van wenen, één in ieder geval, in alle gevallen.
Maar de auto reed meedogenloos voort, over God’s wegen.
Stuur door
Dit is niet OK