‘Ik heb niks, maar ik wil het met je delen’, zei hij tegen haar. Dat waren zijn woorden, altijd die woorden, altijd zijn woorden.
Was dat het wat zijn moeder hem leerde? De taal als de voile van de bruid, op haar mooiste dag, van een eenmalige schoonheid, die geen onvolkomenheden verdraagt. Een lichte sluier voor het zwaar opgemaakte gelaat, met donkere ogen en rode lippen, en er is maar één de schoonste van het land?
Duizelend van de suiker van de bruidstaart, de bubbels van de champagne en de aanstaande liefdesnacht. In alle naakte dierlijkheid zijn nageslacht in haar pompen, en wezen waar je wezen moet?
Was het zijn moeder die hem leerde, dat er twee soorten vrouwen zijn, zij die van jou houden en hen waarvan jij houdt? Nooit, mama, allebeide.
Ofschoon het slechtgeluisterd klinkt als hetzelfde, in woord en in daad, zijn de verschillen hemeltergend, als je dan doodgaat en me verlaat.
Roman tilde moeder voor de laatste keer op de als wc dienende emmer. Ze woog als een veer, hij kon haar als een pasgeborene op zijn handen en onderarmenvoor zich uit dragen. Haar gratenpakhuis vocht zich met onvermoede krachten, maar liet desondanks een paar druppels vieren. Door je zoon op de pot worden gezet of piesen in het sterfbed. Moeder wou van beiden geen weet hebben, door haar smalste bewustzijnstunnel, van het licht naar het donker. En haar claustrofobie zou hij erven. Moeders vader stierf op de plee, liet z’n ultieme ontlasting en het leven, met het einde tevreden in elk geval. Hoewel het verhaal niet vertelde of hij zijn dooie billen nog veegde. Wederom diep respect voor de uitvaartverzorger, en diens zonen, zij kwijten zich smetteloos van zulke taken.
De beige emmer. Die emmer was er altijd geweest, sinds mensenheugenis, op vakantie. Tussen de dunne tentdoeken waar moeder trachtte te slapen, ondanks de geluiden van de natuur en de te dichte vreemde buren, die zij slecht verdroeg.
Het was voor haar geen keuze: In het nachthemd door de openbaarheid van de donkere camping, naar het gemene sanitaire gebeuren, en diens uitvergrote dieren, of stiekem een piepklein plasje, tussen het zachte slapen van het gezin.
Lang genoeg was haar nachtelijk toiletteren discreet genoeg en liet ons kinderen omgemoeid.
Maar het bewustzijn kwam met de jaren, en - af en toe - viel ie om.
Eventueel in dat soort gevallen, maar dagelijks bij het krieken van de dag, ging vader in zijn vette witheid en slobberende onderbroeken haar schaamte legen.
Maar Roman sliep altijd slecht.
‘Zeg eens wat!’, zei Gabriella hem aanstotend, ‘want er gaat weer van alles door je kop.’
Hij glimlachte op heterdaad, gaf haar een kus, met zijn gesloten lippen.
Stuur door
Dit is niet OK