En toen stond hij plots op de begraafplaats. De begraafplaats waarvan hij het bestaan lichtjes, als in een ooghoek, bewust was geweest, achteraf gezien. Teruggezien, als van de fietser over z’n schouder, met een korte slinger aan het stuur tot gevolg. Als zijn jonge hij erlangs naar school fietste. Het lag langs de weg die hij dagelijks volgde. Even zo door het gure donker van een winterochtend, als tegen de natte wind van de herfst, als in een te optimistisch t-shirt onder de lentezon. Op een willekeurige schooldag, in een eindeloze reeks willekeurige schooldagen, die niet noodzakelijk eindigde, of dat het er toe deed. Daarmee hield hij zich niet bezig.
Daarmee hield hij zich niet bezig. Het impliceert een activiteit die hij niet had, een schuld die hij niet voelde, maar wel bleek te dragen. Zonder ook maar een enkele keer het krakende grindpad te hebben afgelopen. Tussen door de onberispelijk lange haag van zwijgende ligusters, schouder aan schouder verbergend nog. Zonder mening, zonder oordeel kondigden zij aan, wat men vond aan het eind van hun aaneengesloten saluut, in de zich breeduit openende weide van de kruizen.
Hij stond met zijn voeten aan haar graf. Hij was er niet meer teruggeweest, na de begrafenis, al maanden geleden. Hij voelde noch de noodzaak, noch de uitnodiging. Er was ook geen nieuwsgierigheid of plichtsbesef. Daar waar de begraafplaats links van de linkerooghoek van zijn jeugd had gezeten, zat nu het graf van z’n moeder. Hoe vaak en hoe snel hij ook zijn hoofd in die richting draaide, hij zag het nooit, maar het was er wel. En daarvoor kon hij niet meer weglopen, wegfietsen. Hij moest er heen, zonder reden.
Hij keek omlaag en zag het gat in de aarde. Hij keek naar beneden en zag de kist. De kist met het lijk van zijn moeder. Tenminste, dat nam hij aan. Het kruis zei dat zij er lag. En het kruis zei ook dat zijn vader er zal liggen. Want zijn vader was niet bang van de dood. Zijn vader was bang voor het leven zonder zijn moeder. En had dus maar vast een voorschot genomen, in al zijn arrogantie, van het weten dat en van wat komen gaat, en leefde daarmee in ruste.
Misschien had het hem moeten verbazen, maar er was geen zand op de kist gestort, al lag deze er al maanden. Maar verbazen deed het hem niet. Het was ook niet in zijn aard de grafdelvers te verwijten in gebreke te zijn gebleven, of ze hiervan zelfs maar te beschuldigen. Het was ook ondenkbaar, hoewel hij dat best kon denken, dat er niet eerder iemand het graf had bezocht.
Nee, er was maar één logische verklaring. Het was aan hem om het zand op de kist te scheppen. En die gedachte werd overtuigend bekrachtigd door de berg aarde die naast het gat in de grond lag. En door de schop die erin was gestoken, als door werkmanshanden. Zo klaar had het niet eerder gezien. Maar dat was wellicht ook het probleem, het klare zien, zelfs wanneer hij er bijna over struikelde.
Hij deed zijn jas uit en nam de schop ter handen. Het spannen van zijn armspieren deed hem goed, zoals de daad van het storten van de aarde. Met elke schep verdween een stukje van moeders kist. Hij telde de keren dat hij de schop in de zandhoop stootte, want in elke daad zit een prestatie, hoorde hij moeder fluisteren, met een geruststellende knipoog, maar met verkrampte vuisten en de onderlip tussen de tanden. Zij was de enige die bij het ballen der vuisten de duim in de vingers sloot. Vader wist haar te vertellen dat ze, op die wijze, bij een echte stoot, haar duimen breken zoude. Maar echt stoten deed ze nooit, maar versloeg haar maar eens, met pingpong, bijvoorbeeld.
Het hele gat vullen bleek een te grote opgave. Ook wat overdreven misschien, of niet nodig zelfs. Zijn intenties waren goed, het resultaat van lager belang. Moeder was aan het gezicht onttrokken, zoals ze dat van hem zou willen.
Stuur door
Dit is niet OK