Hij draaide zich om en ging. Ze liep hem nog na, en kuste hem kort in het gat van de deur. Hij begreep niet goed waarom, maar had inmiddels moeten weten dat haar mond meer zeide dan haar woorden. Het was een afscheidskus, dat was wel duidelijk, zelfs in het moment, zelfs voor hem. Geen platte kus, maar met de dimensies van de ribbeltjes op haar lippen, het puntje van haar warme natte tong en met een vleugje van de smaak van haar grote belofte. Een kus van weggaan, met onduidelijke bestemming, met onbekende gevolgen. Het maakte geen indruk op ‘m. Omdat het ondenkbaar was, onvoorstelbaar en dus niet de waarheid. Hij geloofde het stomweg niet.
Hij keerde zich om en liep naar z’n auto. Z’n schoenen zakte diep in de blubber van de nog onaangelegde straat. Zij keek hem na, haar armen over elkaar geslagen, om vervolgens in de hem vreemde wereld van haar nieuwe woning te verdwijnen. Tussen de kuilen en plassen heen manoeuvrerend reed hij de wijk uit, naar de lege zondagse snelweg, om daar gedachteloos maar vol op het gas te gaan. Gewoon op weg naar huis, weliswaar, maar dat dacht hij nu even niet.
De laatste kus, zo bleek vele maanden later. Nee, zo kon je het niet zeggen. Er was geen gemarkeerd moment van realisatie geweest. Met het verstrijken van de tijd drong het moment zich steeds meer, en steeds vaker op als relevant. Maar relevant voor wat, voor wie, en waarom vooral? Het was geen herinnering. Een herinnering is een abstract, tweedimensionaal beeld van een verleden gebeurtenis. Een weerslag van, een vertaling van een beleving, die je aan de muur hangt, als een schilderij bijvoorbeeld. Dat een glimlach geeft bij het bekijken, als het af is en over, en dan eigenlijk wel weer weg kan. Maar zo was het niet, zo liet het zich niet schilderen, niet vangen op een doek. Kleuren hebben geen diepte. Het pretentievolle dieprood is niet meer dan heel zuiver, ongemengd. Hemelsblauw schrijft slechts voor waar het toe bedacht is. Aan zwart en wit, zeker in die combinatie, zou je het geven van enig perspectief kunnen toedichten, maar dan alleen voor de contouren. En dat is een handigheidje dat de Oude Meesters al hanteerden, als ze ook niet meer wisten, hoe hun tafereel tot leven te wekken.
Een geestesbeeld moet naar binnen trekken, een warm kloppend bezit nemen van het gemoed, een opvlieger, een rood hoofd. Het bezeten lichaam weeft er een linnen lijkwade van. Werktuigelijke handen trekken het opgerold door de wijd opengesperde mond naar buiten.
Om het met breekbare bibberende vingers, gedragen op de naar boven gedraaide handpalmen, aan te bieden aan het licht, op de dag des oordeels. Maar zo gaat het nooit.
De ruitenwissers zwaaiden hem wakker. Regendruppels, weg regendruppels. Een dempende film van water voor het gezicht, dan weer een paar tellen heldere beelden. Heen en weer, op en weer. Naar binnen naar buiten. Rode en witte lichtjes, in het voorbij gaan.
Roman realiseerde zich streng dat de kunst van het autorijden concentratie verplicht. Op de te volgen route en het ander verkeer. Andere auto’s, andere mensen, ook niet voor niks hier.
Hij zette de blazer hard aan om de beslagen ramen weer transparant te krijgen en veilig thuis te komen.
Met Gabrielle (‘m’n aartsengel’, dacht hij spottend) zou hij het nooit weten. Ze kwam en ze ging, als ze er ooit was geweest. Het appartement dat ze samen beminden was nu leeg, zo stelde hij zich voor. Er was nog het raam, het kleed, het bed en het balkon. Maar zonder haar.
Het beleven van die laatste kus, zich volkomen bewust van de wrede schoonheid van de boodschap die ze hem trachtte te geven, was hem niet gegund. Geen herinnering, dus, maar een huis vol geesten.
Stuur door
Dit is niet OK