Aan de kou in de lucht kon je nog merken dat het januari was. En aan de handschoenen, sjalen en mutsen, die we haastig voor de kinderen hadden gekocht. Alsof we ons vanmorgen, toen we de deur uitgingen, niet hadden gerealiseerd, dat ze het koud krijgen konden. Ze vroegen ook niet, die kinderen, wat goed voor ze was of niet.
Net 2007 geworden. Veel zei me dat niet.
Het jaar was zich begonnen in en rond het ziekenhuis. Ergens tussen onderweg, heen of terug.
Alleen bij het verlaten van de auto, was de winter er even, nogmaals, haast ongemerkt.
De specialist van de dood had mijn moeder naar huis toe gestuurd. Ze was er niet meer, maar thuis, en wij waren voor niets erheen gereden.
Mijn vader had de verwarming hoog opgedraaid, nog hoger dan in zijn gewone doen.
De gordijnen zaten dicht, alsof we wat te verbergen hadden.
Mama zat in haar stoel, met een oranje unox ijsmuts, blauwgroene schotse plaid en gelige eeuwige glimlach, alleen lachte ze die nu niet.
Hoop is een raar ding, dat je nodig schijnt te hebben, hoewel je weet dat het niet goed voor je is. Hetzelfde geldt zo’n beetje voor chemotherapie. Beiden had mijn moeder gekregen, beiden ook werkten ze niet.
Wat er dan blijft is niets, en dat probeerde ze naar ons te stralen, potsierlijk, maar met haar dwaze moederhart.
Er waren niet veel momenten, dat ik huilde, maar nu gaf het even niet, dat ik de zoon, de broer, de man en de vader was. Mijn tranen op haar roze t-shirt en mijn hoofd aan de slappe vellen van haar leeggelopen borst.
Ze legde haar hand, die hand, troostend op mijn haar.
Zelf was ze zo kaal als een biljartbal en met een verschrompeld vogelkoppie.
Ik moest denken aan Knuppeltje. Als kind redde ik een jonge Vlaamse gaai uit de sloot, omdat hij naar me krijste. We brachten het beest groot, met in melk gedoopt brood, later kronkelende pieren en veel liefde.
We ontkwamen er niet aan om Knuppel voor te bereiden op de dag dat hij zou wegvliegen.
Maar eerst zouden we hem dat moeten leren. We namen hem in onze handen, wierpen hem omhoog, Het vliegen en zweven deed het beest als vanzelf, het landen was hem van nature niet gegeven. Ongetwijfeld moe van het rollend door het slijk der aarde landen, koos hij, na zijn tot dusver verste vlucht, de lat van het voetbaldoel als eindpunt. Hij raakte de dwarsligger, maar van opzij, en viel loodrecht naar beneden. Hij zat me met verfomfaaid verenkleed, zijn kuif in de war, wanhopig maar trots aan te kijken.
Zo zag moeder er ook uit.
Stuur door
Dit is niet OK