Ze bleef mijn hand vasthouden, met de hardnekkige stijfheid van het lijk, dat ze aan het worden was. Haar rechterhand, met haar trouwring, waarmee ze op de ruit hamerde als ik binnenkomen moest. Als het donker werd, of het eten klaar was. Waarmee ze tegen haar wijnglas tikte, het schelle geluid van gewoonte op gewoonte, te vertrouwd om aan te twijfelen. Die hand waarmee ze over mijn bolletje streek, dat ik lief was.
De hand waaraan de vinger zat, die ze opstak om mij te waarschuwen, voor mijzelf.
Ze probeerde zich keer op keer op te richten, met enkel wil en geen kracht. Ze kreunde, ze jammerde, maar liet mijn hand nooit meer los.
Vader lag aan de andere kant van haar bed te slapen op de bank. Hij snurkte.
Zijn grote liefde was het leven aan het ontsnappen, hij zou wakker worden als het tijd was.
Dat ik hier ben nu, in het holst van de nacht. In gevecht met moeder, die haar sterfbed wil verlaten, ook al kan ze het niet.
Ik hou haar op haar plek, met een lichte druk: mama, het gaat niet meer.
Wie ben ik om te beslissen, hoewel er geen twijfel meer is? De tijd is gekomen en gegaan, zonder dat we er grip op hadden. Of hebben we het niet geprobeerd?
De nacht was over, in een vloek en een zucht. Een diepste zucht, weliswaar.
Mama ontspande, liet mij gaan en keek omhoog, in rust.
Papa was wakker geworden, hield zijn armen gevouwen voor zijn te dikke buik.
Keek naar mij, keek naar haar, en toen wisten we het.
Mama was een lijk, dood. Haar lichaam, dat we vlak voor ze het bewustzijn verloor, in hevig spartelende schaamte nog op de vakantie-pies-emmer hadden getild, woog nog nauwelijks meer, dan een heks.
Knekels en botten in een zak van huid.
Ik vond het knap hoe de styliste van het uitvaartsburo de glimlach op haar mond wist te reconstrueren. De hele professionaliteit van de begrafenis-productie heeft mijn bewondering geoogst. Niets dan respect, voor het vakmanschap dat mij nooit heeft geleken.
Het graf, met de steen. De aarde op haar buik, waarin mijn kinderen nauwelijks durfden graven, om niet op oma’s botten te stuiten, toen ze hun plantjes aarden wilden.
Het is er altijd koud. En er liggen teveel lijken om er speciale gevoelens bij te krijgen.
Mama is zo dood als alle anderen.
Stuur door
Dit is niet OK