Vandaag, op het Plein van de Ongelijke Strijd, stond ik weer oog in oog met die buitenproportionele tank, die zijn vuurmond op mijn voorhoofd richtte.
Ik, kleine mens, door het gepantserde monster gedwongen tot een zeldzame beleving van de realiteit van het moment, waarin ik ongaarne en liefst kortstondig verblijf, daar ik er niet vind wat ik zoek, in het stilstaan der stilstaan, in de werkelijkheid, nee bedankt mevrouw, van vleesch ende bloed, ik ken u niet.
Waarom rook ik eigenlijk? Ben ik er bang voor, dat deze vraag raakt aan het wezen van mijn wezen, de ziel van mijn ziel, de zin van mijn bestaan. Het doel eerder, dan een middel, dat m’n leven bezigheidjes om het roken heen zijn. Dat het zich niet tot verslaving laat denigreren, door enge ziektes en slechte gewoontes.
De Maagdeneilanden, dat is wat het vlindernet van mijn oren ving, uit de zoemende omgeving, die mij bleek te omgeven. En daar was mijn vliegtuig, daar was mijn vlucht.
Als ik straks de laatste der rokers, en dientengevolge, niet langer welkom ben. Koop ik mij een eiland, en bouwe er een lustoord, voor allen wier beleving tot een dagje uit is gereduceerd.
“Wat zullen we doen vandaag”, is moeder’s vraag, en vader komt, in tegen zijn zaterdagse gewoonte, wonderwel snel in de benen met de kortingsbonnen uit de Kampioen, bijbel der avontuurlozen: “Misschien is het goed dat de kind’ren zien, hoe de mensen vroeger leefden.”
Doet me veel denken aan m’n vlucht van Londen naar Rotterdam, met bibberende vleugels.
Ik heb heel veel moeten achterlaten op Stansted: Tandpasta, blikje bier en m'n aansteker (mijn baken, mijn houvast, mijn anker).
Toen het vliegtuig ejaculeerde in de aankomsthal, werd het gebruikelijke gevoel, van als na een baantje onderwaterzwemmen naar nieuwe adem snakkend het beloofde oppervlak naderen, nog versterkt door kortademige paniekaanvallen.
In ieder zichzelf respecterend land zou ik bij het verlaten van de rookvrije zone besprongen zijn door entrepeneurs van het zuivere water, groothandelaars in opportunisme en de kleine zelfstandige. Zelden viel ik in zo'n diep gat in de markt. Waar geen vuur is, is geen rook.
Onszelf en elkaar betastend, schoolden wij lotgenoten samen in het vrije land achter de grote trage draaipoorten. Stoeptegels werden gebroken tot vuurstenen.
Ik heb in de rij voor de security in London koortsachtig staan afwegen of ik mijn etui met insuline en naaldjes vrijwillig zou gaan aangeven of ze zou proberen te verstoppen in mijn tas. Anticiperend op lange discussies met nonwetende beambtes heb ik voor het tweede gekozen. Geen haan heeft er naar gekraaid, uiteraard. Mijn tandpasta wordt waarschijnlijk nog steeds onderzocht door het British Forensic Laboratory.
Stuur door
Dit is niet OK