Het is beter je laat me niet slechts met mij
Dan spreekt andere taal tegen, grijpt mijn pulserende pols
En sleept mij naar de diepste krochten, om me te tonen
Waar daar tussen vuil en ongedierte
Licht een straaltje schoonheid uit
Allerdaags welgemanierd en opgevoed
Moeder’s werk althans
Is dan om het niet geweest
En snel weer vergeten, zo zij en haar dood
Meedogenloos in zijn daad, als altijd
Van binnens slaat mijn hart nergens, dan op de drum van de tijd
U-ren da-gen we-ken maan-den ja-ren
Kunnen de omvang niet meten van mijn sterfelijkheid
Welbeschouwd is de nachtelijke hemel nagenoeg vrij van materie
Maar laat me niet vergaan, alleen
Eufemisme
Geen eufemisme is het Woord meer waard dan overspel. In woord en in daad gespeld. Hakkelend als een puberling, zijn daad nog niet vaardig.
Ik heb van die moooie stroken, langzaam langs de binnenboel. Na 8 jaar pausschap treedt ik af. Morgen.
ZACHTJES gezegd zou ik zeggen: de moeite niet waard, maar weet wel beter. Toen Jezus op de heuvel ging, tussen Bethlehem en kapsalon. Deed de aarde beven.
Met mijn vingertoppen raak ik je het hardst, waar ik je raken wil. Van binnen. Twee minuten en dertien seconden. En mijn slaap snurkt je doormidden.
Lieveling, ik meen het goed goed heiligman. Mijn Piet moet mijn zak al dragen. Zak er in! Jij vreemdeling!
Bezuinigings ronde.
Jan
Piedras de vida 331: Sneeuw
Van God’s wegen is sneeuw waarschijnlijk wel het ondoorgrondelijkst. Daartoe is namelijk geen enkele reden. Voor het bevruchten der akkers volstaat immers regen. Om de wijsheid die Hem heeft doen besluiten dit grootste fenomeen sinds de Heilige Geest op ons te laten neerdalen te doorgronden, ben ik te dom, onwetend en/of naïef. Ik ben eigenwijs en arrogant genoeg in het laatste te volharden.
Om de pure schoonheid zal het niet zijn, al vallen er doden en gewonden. Doorgaans heeft Hij de gewoonte slechts vanwege esthetiek volksstammen uit te moorden. Plagen, rampen en natuurgeweld zijn Hij. Evenals oorlogen. Maar van sneeuw krijg je koude voeten. Zelfs wanneer je je op de vlakte houdt betreffende God of andere theorieën, dienen ijsklompen geen enkel doel. Ontbeert het hen aan geldige redenen. Scheefschaatserij wordt bedreven op een ijzig draagvlak. Nu ik erover denk: eigenlijk is het dat hele wintergebeuren dat de mens drijft tot diens duistere spellen in donkere holen.
Schoenen zijn evolutionair potsierlijk. Lompige ondingen bij gebrek aan betere wapens tegen de onzin. Veters strikken behoort tot het basispakket van levensvaardigheden, de verplichte stof tot het groot worden. Wie één kind de strijd tegen deze schier eindeloze reeks van onnatuurlijke bewegingen heeft zien voeren, met als beloning het dagelijks terugkerend moeten, zal duizelen bij de gedachte aan de vele miljoenen. Zalig zijn de armen, zij hebben geen schoen. Ik weet niet welke mensenhater dit bedacht heeft, in een roes van creatieve verveling. Hink-stap-sprong, de rugbybal, de stropdas. Dat soort dingen.
Vrouwen. Vrouwen, die lossen het natuurlijk weer elegant op. Veterloze pumps met hoge hakken, het kost hen de rug en de knieën, waarop ze ons dwingen. Zoals hun gladgeschoren benen glijden tot aan hun billen. Ook hier is pijn weer mooi. God schiep de man, uit Eva’s billen (dat mocht ie willen). Dat vrouwen al Zijn miscalculaties, satanische plagerijen en maandagochtendmodellen tot warme geitenharensokken breien, siert hen. Het offer dat zij brengen echter is hun verslaverij. Imelda Marcos had meer schoenen in haar inloopkast dan de landarbeider rijstkorrels in zijn kom. De zendeling van Zalando aan de deur brengt meer opwinding dan het huwelijksbed.
En de sneeuw valt. De sneeuw valt voor niets.
Jopie van Eindhoven
Roman had met terugwerkend kracht zielsveel medelijden met Jopie van Eindhoven. Al zou hij het met een klein beetje fantasie in deze, terugwerkende zwakte kunnen noemen.
Nu hij hier stond, voor het tuinpad van zijn vader. Voor de tegels die hem naar de voordeur zouden moeten brengen. De tegels die schots en scheef en schuin geplaatst, overwoekerd door de ongecontroleerde tuin, een moeilijk begaanbaar pad leken te waren.
Jopie van Eindhoven in zijn 37 jaren oudere hoofd. Zijn lichte hoofd op zijn zware lijf.
Zijn zware hoofd zonder lijf.
Jopie van Eindhoven, het lelijkste, domste, dikste meisje van de klas. En viezig, ranzig, vooral.
Korsten, pukkels, wratten, striemen, wonden, eczeem, schimmel. Overal, waarschijnlijk ook tussen haar vlezige vette witte benen.
Hij was tot haar veroordeeld. Hij werd tot haar veroordeeld. Of zij tot hem.
Het marktplein van het dorp van zijn jeugd was vol mensen. Een hongerig anticiperende mensenmassa. Met ergens ertussen mama. Hij zag haar niet, hij concentreerde zich op zijn evenwicht, of juist het ontbreken ervan. Maar hij voelde haar aanwezigheid, alsof de zon door het dichte wolkendek een piepklein gaatje vond om dan wonderlijk genoeg net op haar te schijnen. De wonderlantaarn van zijn bewustzijn vertoonde haar beeld op de verder grijze grommende massa.
Niemand wilde met Jopie op de evenwichtsbalk boven het voor de feestelijke gelegenheid van de volksspelen opgezette zwembad. Al zijn doorgaans volgzame discipelen lieten het unaniem afweten. Zij zeiden gewoon van ‘nee’, waarschijnlijk nog met wat overtuigend wenen. Niemand wilde met Jopie van Eindhoven op de evenwichtsbalk om zijn en haar kleren uit te trekken. En dat was toch waarvoor de mensen waren gekomen. Uitgelopen. Ze waren gekomen voor het moment waarop Roman Jopie’s hand zou moeten vragen om op haar steunend zijn broek uit te trekken. Jopie stond als een huis. Ze had zich al haar kleren moeiteloos uitgetrokken. Jopie die in de klas, in de school geen vrienden noch vriendinnen had. En thuis waarschijnlijk ook niet. Jopie die nog nooit geen 10 haalde voor geen enkel proefwerk. Jopie die bijles kreeg met lezen en met rekenen, om te kunnen leven. Jopie die met gym als laatste werd gekozen, of overbleef liever. En daarmee dan was ingedeeld, toebedeeld, geclassificeerd.
Meester Rijn vroeg Roman het met Jopie te doen, en mama stond er aanmoedigend (bemoedigend?) bij. En ze knikte naar hem toe. Ze wees hem aan. Terwijl hij haar vanuit zijn omlaag gerichte gelaat schuins aankeekte. Zij en meester Rijn, 4 handen op zijn bibberende blote buik. Dezelfde handen die hem de balk op duwden. Met keiharde zachte dwang. En de kleine Roman bezweek onder zoveel druk.
‘Ik kan dit niet.’ dacht hij in een windvlaag van een duizendste seconde. En hij had gelijk, ik viel.
Ik grabbelde nog naar Jopie’s hand, naar een kleinste stukje van de droge schilferige huid van haar vinger.
Maar naar beneden in het eindeloos ravijn, van mijn donkere duistere diepte.
Uit evenwicht, uit schaamte, uit zonde, uit zekerheid, uit elkaar, als ik mijn denken denk te balanceren.
De torenhoge werkelijkheid is nauwelijks enger dan mijn val, van 50 cm, op het zachtste water.
Als ik van mijn balk van 15 benepen centimeters een uitgestrekte steppe van vertouwen maak
Verlies ik nooit het evenwicht, er is geen verlies
Want jij houdt me wel vast
Twee tellen happen naar lucht, aan zijn lijf zuigende natte kledders.
Waar het water eruit liep het geruis in zijn oren.
Gejoel. Hoongelach. Hyena’s. Een lynchmob.
Gabriella die met haar zwarte armen en blanke kin op de rand van het zwembad leunend hem uitlachte met haar wapperende blonde haren had ie er nog ff bij gedramatiseerd.
En mama?
Zij maar op haar allerhardst stralen van wat ik ben trots op jou. Hoe is het mogelijk?
En ver boven hem hoorde hij Jopie nog schaterlachen.
Nee, 37 jaren later, weende zij om hem. En hij om haar.
Hij glibberde, bibberde en wankelde naar de voordeur van vaders huis.
Vader zou open doen, ‘hé jongen’ zeggen en hem een hand geven. Niet meer.
En dan bier of wijn of eten.
Najaar
Mama had geen gelijk, hoewel hij dacht dat hij dat dacht.
De lekkerste zonnetjes zijn niet de eersten maar de laatsten.
14 oktober. Tussen de vallende bladeren, stortbuien en windvlagen door, opeens de zon.
Vriendelijk, rustgevend, onthaastend, relativerend en gratis en voor niks.
Een laatste traktatie van de zomer.
Roman liet het zonlicht in de diepe groeven van zijn gezicht vallen. Op zijn glimmende voorhoofd.
Hij was vele malen bekwamer in het loslaten dan in het vasthouden.
Veel begaafder in het verliezen dan in het winnen.
Belofte maakt schuld.
‘Laat maar vallen die zooi!’ riep hij tegen zijn appelboom ‘in dit jaargetijde is het ieder voor zich.’
Je zag ‘m zijn wortels krampachtig diep in de aarde klauwen, tenminste dat zag Roman.
Hij liet zijn laatste vruchten, waar niet gegeten door ongedierte, te rotten.
Er had reeds een harde strijd gewoed tussen eksters, merels en spreeuwen, in de bovenste takken van de boom. Pesterig, spottend, instinctief bewust hadden zij de appels aangepikt.
En de onderste vielen nu.
Hij drukte zijn tong tegen het koude raam. Het raam van de schuifdeur van zijn woning. De schuifdeur die open ging bij mooi, en dicht bij slecht weer. Het glas waartegen het zwetende lijf van zijn beste vriend had geleund, zijn kinderen (3 zoons! Roman had 3 zoons!) hun vette vingers hadden gedrukt.
Het glas waartegen de regen had geslagen en de sneeuw en de droge wind.
Het raam dat werd schoongewreven, gezeemd, geboend en gelapt.
Waar vogels tegen scheten, ballen tegen kaatsten.
Insecten zich te pletter vlogen.
En waardoor van de zon slecht de inhoudsloze warmte bleef.
Schijn zonder effect.
En waardoor hij naar de wereld keek. Of de wereld naar hem. Dat wist ‘m nooit niet.
Zijn smaakpapillen tintelden. Van sensatie of van afgrijzen of van tintelen.
Hij schreef Gabriella, zijn Gabriella een gedicht, met 7 poten:
Schuim
Als ik mijn bek allerverst opensper
En mijn lustig gedomde tong
In jou jouw wereld druk
Waar je leeft, je ademt en smaakt
Jij, vrouwe
Je me ontmoet me in een paringsdans
Van blote naakte slakken
Schuimend, glijdend en kwijlend
Het zoet van je verlangen
Het zout je van je tranen
En het bitterste van je achterste
Mijn woorden nog gebarentaal
Mijn tanden als neerlandikus
Van elke beschaving reeds ontbloten
Gebroken in jouw taaltjes
Scherven van een samenhangend zeggen
Niks niets meer dan ‘Ja’
En het breken
Van elkaar
Aan elkaar
Langs mijn benen
Gabriella vroeg hem nog, of ie het verschil wel wist, tussen sensualiteit en seksualiteit.
En hij zeide ‘Ja’ met grijnzen.
Grijnzen van pijn van frustratie van eenvoud van veelvoud van oneindigvoud
‘Je kunt het leven niet in één dag leven, Roman’, zei mama
En toch deed ie het weer telkens weer onweer noodweer.
Knuppeltje.
Als een razende rivier door de overstromende stad.
Bruin water.
Waarin auto’s, banken, stoelen, vuilniszakken en mensen werden meegesleurd.
Zag je slechts op het journaal in verre vreemde landen. Andere beschavingen. Pfff. Laat me niet lachen.
Groter groeien 12: Vaders museum
De scholen zijn weer begonnen, wappert een triomfantelijk gespannen doek. Alsof er wat te vieren valt.
Er ligt reeds een stiekeme nachtvorst op de daken, de te vroege avond valt.
Een vast onderdeel van het nieuw schooljaar nieuwe vriendjes initiatieritueel, van het spelen bij, is een rondleiding langs vaders statieportretten aan diens muur. Uit papa’s natte periode.
Meestal zijn het de verse groene vriendjes wiens ogen eraan plakken blijven. Waarop zoon zijn thuisvoordeel met gespeeld (of verspeeld) onbevangen ‘o ja, ik zal ze even laten zien’ de excursie leidt.
Het vult mijn inborst en andere nobele delen met trots, dat hij zich onvervaard en onbevlekt van zijn taak kwijt
Conclusies zijn snel getrokken, en volgt de onvermijdelijkste aller vragen, zonder er wat van te vinden: ‘Papa, Rudiano vraagt waarom je alleen maar blote tieten schildert’.
En papa schildert ook alleen maar blote tieten, evenals hij altijd alleen maar drinkt. Waar het in de verre waarheid maar slechts de mindere uren van de dag betreft.
En heeft papa er altijd zijn fraaie kutsmoezen klaar, zijn mooie praatjes, van de schoonheid van het vrouwelijk mijn en dijn, van esthetiek en kleur en vormen, en meer van dat gezwets zonder redenen.
Nooit meer woorden dan wanneer te zeggen dat je het niet weet.
De kunst is niet van de waarheid vertellen, maar van diens elegante afleidingsmanoeuvres, gedevieerde zieltjes van het werkelijk kwaad. Al geeft het zich nauwelijks bloter dan barbie of the action man.
Maar mijn zoon, van nature gegeven, via moeders wegen, met dezelfde aanleg tot smoezen behangen, zal ten einde raad het aanstaande onheil keren met het onverschilligst gesproken: ‘Hij schildert ook ramen en deuren, hoor.’
Open deuren, dichte deuren. Ja, doe dicht achter je kont, die deur, en sluit alle ramen!
En nu dan maar hopen dat Rudiano het ph-neutraal bij zijn ouders zal brengen.
Ik naai alvast mijn IP-adres in zijn kleren, om de voortgang van het vooronderzoek niet te frustreren.
Zoekt en gij zult vinden.
Beschaving
Beschaving, helaas, is steeds vaker onderwerp van discussie.
Vroeger was het kraakhelder, beschaving, als Miep, als Witte Reus, Vim, Dash en als wij en onze zielen. Het ging al mis met Dubro citron (oelala).
Ik heb er nooit geen mening toe, ik geloof alles, mits juist geformuleerd.
Het ontbreekt mij volledig aan levensvisie en betrokkenheid bij het heil van deze planeet.
Snap niks van politiek laat staan vakbeweging.
Dat ordinaire gestaak, van boven hun stand levende arbeiders, is gelukkig ook afgelopen.
Zijn ze te rijk en lui voor geworden.
Slechts het dier inspireert ons nog tot het aan de kaak stellen van de waarheid van onze beschaving.
Ik heb niks tegen dieren, van nature, maar ze moeten wel met hun gore poten van onze beschaving blijven!
Mochten we ze al in de corrida niet meer aan de sabel rijgen.
Mochten we ze al niet meer schoppen of aan een boom binden.
Al niet meer dragen tegen onze kou en voor onze schoonheid.
Nu mogen we ze nog nauwelijks nog eten.
Maar slachten als een feestelijk ritueel, met door de eeuwen van voorvader geërfd vakmanschap van hun leven ontdoen, met huid en haar, en precieze messcherpe sneden, kan ook al niet meer, beschaaflijk gesproken. Pijn is niet meer van onze tijd, noch van het hetze.
Wat blijft, om men’s tanden in te zetten, is het gesproken woord, vrij van elke beperking.
Daarmede vertonen wij het summum onzer verwordenis,
Kopvoddentax, kutmarokaan en rotte vis.
De reis en het afscheid
Primitieve gewoonte eigenlijk, zwaaien. Heen en weer bewegen met de hand, in korte snelle bewegingen. Of lang en traag, bijna dramatisch, met de onderarm of zelfs de hele arm.
Roman deed het raam dicht zodra zijn auto enige vaart had. Hij hield niet van het gewapper van de wind door het openstaande raam. De gesloten auto met het door de airco gecontroleerde klimaat gaf hem de rust van de isolatie, de stilte, zijn individuele reisbeleving.
Lekker rijden, met een beschaafde snelheid, eindpunt onbekend. Geen reden tot haast of jakkeren.
Op de achterbank hadden de kinderen steeds op hun eigen wijze de reis ondergaan. Lezend, gamend of slapend. Soms keken ze naar buiten, maar niet bijzonder veel, en van de route namen zij weinig notie, noch van de reistijd. Ze stoorden hem nauwelijks en waren daarmee ideale reisgenoten.
Eerst maar even de tank weer volgooien met de goedkope Spaanse brandstof. Je zult maar zonder komen te zitten. Hij placht voor een lange rit ook de bandenspanning te controleren. Immers, sous gonflé est danger. Er kan nogal wat mis gaan, als je erover nadenkt. Verkeerde route nemen, zonder benzine komen te staan, achterop een file knallen, lekke band, klapband, slippen, uit de bocht vliegen, creditcard die op is, te weinig drinken, in slaap vallen of een hypo krijgen.
Het perslucht apparaat bij het tankstation bleek, ondanks luidruchtige aankondiging op een bord, niet aanwezig. Typisch Spaans, gromde hij liefkozend. Alles hing er, het bord dus, de slang, maar geen apparaat.
Roman schopte eens tegen de banden van de auto om op deze alternatieve wijze vast te stellen of ze bedrijfsklaar waren. Ze leken wat slap, maar niet alarmerend. Bij een volgende tankbeurt nog maar eens. Hij checkte zijn bloedsuiker nog even, voor de zekerheid.
‘Angst en seks gaan niet samen’. Het waren de enige woorden die hij had onthouden.
15 jaar waren ze samen geweest. Zij was psychiater en kon het dus weten.
En er waren talloos veel liefhebbende woorden geweest. En evenzo vele verwijten.
Ze hadden elkaar met de zinnen die ze dichtten gevonden. In de juiste volgorde kunnen woorden zinvolle en zinnelijke zinnen vormen, waardoor de taal boven zichzelf uitstijgt en tot leven komt.
Michelangelo zei het al op het plafond van de Sixtijnse kapel, maar nog zonder woorden, de lafbek.
De volgorde, het aantal, het moment, het ritme en de intentie, op een zeldzaam moment van samenvallen, in het hier en nu.
Vroeger.
Je zult er maar naar op zoek zijn.
Ze bevredigden zich seksueel, met of zonder haar, op of onder haar, in of over haar, of in eigen hand.
Zelfs dat wist hij niet meer. Ze was daar, ze waren samen daar, en ze bespraken zijn angst, zijn paniek.
Dat wist hij wel nog zeker.
Ergens bovenin hun gezamenlijkheid, dichtbij hun beschaving, waar loyaliteit, respect en verdraagzaamheid huist, hun gemeenschap (van goederen), vond er nog communicatie plaats.
Het grote lichamelijk consumeren was werktuiglijk, waarbij hij vooral nog haar onvolmaaktheden zag.
Eens had hij ze bemind als overrijpe vruchten, gulzig en vochtig, zoet en adelijk als vijgen.
Nu de moedervlekken krenten op haar rug. De door hun kinderen leeggezogen tieten als levenloze huidplooien. Haar rimpels, haar aderen, haar bewegingen, haar praten. Haar boosheid, haar teleurstelling, haar verdriet. Zij was het niet meer.
Angst is niet kunnen ademen en stikken in diens eigen snot. Angst is het hart kloppen of juist het stoppen. Angst duizelt in het hoofd, doet het lichaam trillen. Angst is het sterven van genot.
Hij verliet Spanje weer, met een verstandige 130 km/u, een volle tank en een keurige bloedsuikerspiegel.
Bij het binnenrijden van Frankrijk realiseerde hij zich dat ie een keus zou moeten gaan maken bij Montpellier: de oude vertrouwde route over de A6, of de nieuwe route via Millau. Er waren veel goede redenen bedacht om Millau te nemen, op deze rode tot zwarte Zaterdag. Minder drukte, mooie nieuwe route, tolvrij. Zijn automatische piloot neigde toch naar de oude route. Nostalgie. Ook een mooie motivatie. Het idee alleen al beklemde hem onmiddellijk. Elke stad, elke afslag, elk kilometerbord zou hem vertellen hoe ver hij nog moest gaan. De ingebouwde stopwatch tot op de seconde nauwkeurig.
De route waarvan zijn vader van elke hectometerpaal wist te kennen. Bij elke geslagen paal een herinnering. Aan bezienswaardigheden, aan roofvogels, het landschap, lekkere restaurantjes en obscure riviertjes. Maar nooit aan moeder. Pont du Gar, rode wouw, Mont Ventoux, La femme sans tête. Bakens. Bakens en boeien. Het zou hem opjagen, voortjagen, het aftellen was begonnen.
De angst sloeg hem op de adem. Maar zijn angst zou hem ook beschermen, tegen in slaap vallen, bijvoorbeeld.
‘Millau, it will be‘, sloeg hij zich op de borst, de avonturier.
En aldus geschiedde. Soepel slingerde hij zijn wagen voorbij Pezenas het massief in.
Je moest het de Fransen toch nageven. Niet alleen het alom als zodanig erkende meesterwerk ’La viaduct de Millau’, waarvoor wij met alle plezier 7,90 euro neerleggen, maar de hele autoroute erheen is een lust voor het oog, een miracle, superieure autoroute-technologie, joie de vivre. Hij gooide al zijn beste Frans er uit, volle borst en zonder publiek. Hij zong Brel, Marieke, Marieke, je t’aime tant, Ne me quitte pas, Les Flamandes, le plat pays, hoewel zonder reden overigens.
De auto slingerde zich op het randje van zijn kunnen door de welgevormde bochten, langs de schitterende wrede kloven. De bochten waren scherpe dan vermoed, de rijbanen smaller. De vrachtauto’s breder, en als er eentje naar links zou komen bij zijn inhaalmanoeuvre. Rustig aan, Roman, rustig aan, je gaat te snel.
De kersen op dit smaakvolle stuk Franse patisserie waren de bordjes langs de weg waarop de hoogte waarop hij verkeerde werd benoemd. Altijd leuk om te weten. Altitude 868 m, 911, 1038 en tot zelfs 1128. De juiste keuze, deze route. En, haast ongemerkt, al 400 km asfalt versleten.
400km afgelegd, nog maar 1000 te gaan. Nog 1000 te gaan. Roman keek op de klok. 13:02.
Een snelle rekensom. 13 + 10 = 23. Haalbare kaart, vandaag. In één keer.
Stil
En toen stond hij stil. Helemaal stil, bewegingsloos stil, zonder snelheid, zonder verplaatsing, zonder tijd, zonder gevaar. En nadat hij zijn motor had uitgedraaid, was er slechts nog het geruis van geduldige Franse bomen. Opeens eeuwige Franse bomen, die nooit anders deden dan staan en ruizen. Hij keek naar de bomen en hun groen met hun zwaaiende takken en hun bladeren die, die, die wat? Wat eigenlijk? Hoe noem je dat, hoe die bladeren bewegen? Hoe kan je dat zeggen, met woorden, in woorden? De bladeren die het geruis deden, of lieten doen liever, door de wind. Weer die wind, die er altijd is, in al z’n hoedanigheden. Altijd er overal is Hij! Hoe handig, hoe knap, hoe relaxt ook, eigenlijk, leek het hem. Er altijd overal zijn. In al je hoedanigheden. Maar dat soort dingen dacht Roman alleen in dit soort onoverkomelijke situaties waaraan geen ontkomen aan is.
Hij had wel geluisterd, maar niet geluisterd. Radio 107.7, verkeer en Tour de France. Ze hadden hem wel gewaarschuwd dat er tengevolge van een ongeval waarbij een vrachtwagen en een caravan (altijd die caravans!) betrokken waren beide rijbanen waren afgesloten. Dat een vader daarbij het leven had gelaten. Zijn twee zoontjes en de geschaarde caravan bleven achter. Die kokette Française had tegen hem geroepen, dat er geen doorkomen aan was. Ze had hem met haar verleidelijke stem geïnformeerd dat er een stilstaande file van 40 km voor hem wachtte, op hem wachtte. Een muur van 30.000 stomme auto’s met stomme bestuurders, die in al hun eigenwijsheid en hopend dat de waarheid niet bestond keurig aansloten in de rij van makke schapen. Zij die dachten dat het niet om hen ging, en daarvoor nu moesten boeten. In oververhitte automobielen, in de pesterig trage wachttijd. Ze had hem met haar zoete woordjes in het oor gefluisterd dat hij beter een afslag kon nemen, evacuer l’autoroute. Hij was in de ban geraakt van haar hese geluid, met de tintelende prikjes van de accenten van de Franse woorden, op het juiste moment, in de juiste richting. Accent aigu, accent grave. Naar voor of naar achteren, heen en weer. De Lorelei van de Franse ether had hem met haar hypnotiserende zang anders dan verstandig doen besluiten.
En toen was er geen afslag meer te nemen.
Behalve deze, waar hij nu stond. Bomen, gazon, picnic-tafels, afvalbakken en een toilet. Schaduw.
En hij hoorde de bomen. En, op de achtergrond, als je goed luisterde, het slapende maar zacht en laag grommende monster, op 40 km van de hitte zinderend asfalt, tussen hem en huis. Thuis.
Hij kon geen kant meer op. In de schaduw van een boom.
Roman glimlachte. Deed zijn ogen dicht voor een genezende slaap. Die alle wonden heelt, als vette zalf. Als haar zachte vingers op zijn voorhoofd. Als de geur van zijn jongste kind, in zijn armen.
De kinderen!
Roman schrokt wakker uit z’n bijna-slaap, draaide zich met ruk om naar de achterbank, om met een zucht vast te stellen wat hij door zijn eigen verbazing over zoveel domheid heen wel wist. Ze waren er niet. De kinderen waren er niet. Niet bij hem. Niet bij deze vader, die dus geen vader meer was, technisch gesproken.
Stil. Doodstil was het er wel. En zwart.
Na lang stilstaan. Na weer rijden, als de file bleek opgelost. Files lossen altijd gewoon weer op. Verdwijnen. Onneembare blokkade verpulverd door een paar uurtjes slaap. Je zou aan het bestaan gaan twijfelen. En het asfalt ligt onschuldig aan en onwetend van al het voorafgaande open. Snelheid. Kilometers. In één mooie lange rush, een ademtocht, naar huis. Ongehinderd.
Nou ja, ongehinderd. Altijd was er nog Paris, fucking Paris. Opgedoft, poederig, mieterig, maar in werkelijkheid stinkend naar smeltend asfalt en uitlaatgassen. Betonnen buitenwijken. Allochtone rellen. Brandende autowrakken. Hoofddoekjes verbod. Paris met z’n zwierige, arrogante, nichterigheid. Door zichzelf uitgeroepen tot het mooiste jongentje van de klas, en daarmee zich als sta-in-de-weg verantwoordend. Zelfingenomen betweter. Xenofobe man van de wereld. Autist! Narcist!
‘Ongeluksparis met uw mooi gezicht, verleider! Waart ge maar nooit geboren, of voor uw huwelijk gedood. Ja, dat was mij veel liever geweest, dan nu een schande te zijn voor anderen en door iedereen veracht.’
‘Hector, uw verwijt is verdiend, niet meer dan mij toekomt. Onverbiddelijk is steeds uw hart, als de vaardige bijl in de hand van de man, die boomstammen klieft - hij hakt een balk voor zijn schip en de bijl versterkt de zwaai van zijn arm - zo onvervaar is het hart in uw borst. Verwijt mij niet de lieflijke gaven van de gouden Aphrodite. Niet verwerpelijk zijn de kostelijke gaven der Goden, al wat zij zo maar geven. Zelf kiezen kan men niet.’
Aldus dichtte Homerus. Als die al bestond, bestaan had. Als die al een broer had, gehad had.
Nooit hadden ze de moeite genomen er een fatsoenlijke omweg te leggen. Of een wijde boog erom. Een brug met gelijke leggers, over het hele zooitje heen. Voor hen die er niet wilde gaan, of zijn.
Nooit hadden ze de moeite genomen er een fatsoenlijke omweg te leggen. Of een wijde boog erom. Een brug met gelijke leggers, over het hele zooitje heen. Voor hen die er niet wilde gaan, of zijn.
Als jongentje, beginnend puber allicht, had hij zich vergaapt aan de Franse beachboys. Van die moeiteloze mooie bruine slanke krulleriger witgebitte goedlachse knipogerige nichtjesverleidende, mannetjes! Ja mannetjes waren het, hij kon ze makkelijk hebben op zijn gezonde noordeuropese massa.
Hun blauwe gympies, opgerolde spijkerbroek had hij kopen kunnen. Hun vetloosheid en nekkrul niet.
En het blauwgroene shirt dat ze droegen, verkreeg men in Nederland in die kleur niet. Nooit niet. Altijd net niet. En daarmee een vlag op een modderschuit. En beter niet gedragen.
De nacht was gevallen, als pleister op de wonde. En dan was er België. Een laatste hindernis in de tijd, in het verlangen, in zijn slecht verlichte haast naar het eind. Lelijke zus van Helena, die jou wel wilde. Arm België, nooit meer dan een vluchtige passage, een affaire voor een nacht, tegen de zin bijna, maar onvermijdelijk. Een paar uurtjes slechts. Zonder spijt over haar gereden.
De betonplaten van de snelweg denderden door zijn auto, door zijn lichaam, door zijn hoofd, allen één nu. Ze vonden het ritme dat hen paste. Om juist nog wakker te blijven, met minimaal benodigd bewustzijn. Of om in slaap te vallen. De gemene tikken van het beton werd gedempt onder de zolen van zijn voeten. Hij had zijn schoenen uitgedaan.
De auto leek hem te ontsnappen, uit zijn kundige armen te gaan. Het zou de vermoeidheid zijn.
Als de auto straks zal stoppen. Lichten uit. Klaar.
Niet alle angst is ongegrond, zo bleek gelukkig maar weer.
De rechterachterband van de auto bleek langzaam maar zeker leeg te lopen.
De nuchtere ochtend aan het einde van zijn thuisreis zag hij zijn lieve trouwe auto (ze had hem toch maar weer veilig thuis bracht!) wat schuin uitgezakt staan. Ze stond op één been geleund, met haar hand op haar heup. Alsof ze zeggen wou, van ‘zie je nou wel’.
‘Shit, lekke band. Wat nu?’ en dat soort gedachten.
Maar dan blijkt er steeds weer een verbluffend eenvoudige oplossing.
Kwik-fit.
‘Een prop of een nieuw bandje, meneertje.’
En zijn de laatste 80 euro
Pijnlozer uitgegeven
Dan een viergangenmenu
Tarragona
Tegen beter weten in - zoals hij zichzelf graag wijs maakte - had hij zich verheugd op thuiskomen. Thuiskomen in zijn woning. Alles was hier van hem, voor hem, door hem. Niets en niemand anders.
Volmaakt tot een vierkante doos om zijn hoofd.
Hij plofte op de bank, in het kussen, in de deuk die op hem had gewacht. Bakkie versgezette koffie, sigaretje erbij. Zich verkneukelend trok hij zijn laptop als de kat die hij niet had op schoot.
In blijde verwachting opende hij zijn email: één bericht.
Gabriella was er niet. Ze scheen nooit te zijn waar hij was. Behalve op de begraafplaats, natuurlijk.
Hij dacht te weten dat het niet was dat ze hem ontliep of zelfs voor hem vluchtte.
Het was gewoon haar aard.
Ze liet hem meestal wel na, waar ze uithing. Zonder consequenties, zonder strekking. Maar hij las de berichten anders. Hoe zeer zij ook haar best deed om geen enkele richting aan haar berichten te geven, hij liet zich toch sturen. Ze schreef hem zonder extrinsieke boodschappen. Niet dwingend, niet uitnodigend, zonder verwachtingen. Voor hem werd het des te meer een opdracht.
Het was een spel dat ze speelden. Onafgesproken. Met ongeschreven regels. Zonder einde.
Ze vroeg hem niets, ze raadde hem ook niets af.
Het maakte zijn thuiskomst onmiddellijk weer vergankelijk. Hij kon er wel om janken, van vreugde, omdat hij wist wat zijn enige antwoord zou zijn: zoeken.
Reizen was simpel, gewoon een kwestie van op het juiste moment op de juiste plek. En dan maar wachten tot het vervoer hem bracht. Er is ook braafheid in reizen. Onze kaartjes tonen wij allen, op verzoek, en daarmee zijn wij waar we mogen en moeten zijn. Knip! Doorgeslagen bevestiging van juiste aanwezigheid. Twee seconden rust. En bijzonder prettig door de eindigheid ervan. Op een gegeven moment is het spoor op, de tank leeg. Zou hij zich niet door laten tegenhouden, tenzij het hem schok (schikte). En het schok hem nog al eens gemakshalve.
Het vervoer laat geen twijfel over tijd. 1 uur, 46 minuten. Van zijn leven, dat stond even stil. Met een onvermijdelijke logica, van bus-trein-vliegtuig-metro-trein, niet van af te wijken. Uiteindelijk uitmondend in het wijde gat, naar buiten klotsend, gulpend, uitgespuugd door het transport, als Jonas door de walvis, van aankomst, stilstand, realisatie en weer beweging. Op eigen voet, op eigen geest, op eigen willen (of moeten). En om het nog extra gestalte geven, wees hij geaircondisioneerde taxi’s af, ondanks ongetwijfeld uiterst betrouwbare chauffeurs, als lelijke vrouwen met een goed aanbod op een moment van zwakte. Als een hoer met haar veel te eenvoudige oplossing, als een verstandige keuze, hahahahahahaha, niet met deze jongen. Als elke reiziger kon hij de weg wel vragen, en iedereen kon hem die wel wijzen, of voor geld of voor niets. Maar waarom?
Hij kende Tarragona niet, maar hij kende Tarragona wel. De door de wind gedragen verschroeiende hitte. Het wuivende gepalmte. De oplopende straten, en de koele ratio van de schaduw aan de andere kant van de straat, liever het heerlijke zweet des aanschijns, als het ware het een prestatie.
Liep hij door stoffige straten. Liep hij door. En vond wat hij vond, zijn hotel, haar hotel, door haar aangewezen, als plek, als oplossing. ‘Andra moi ennepe Mousa polutropoon hoos malla polla’, etcetera.
Mooi verhaal wel, maar de held Achilles stierf, vanwege onvolmaaktheid, vanwege een zwakkeling, die zich tussen neus en lippen ook nog van de mooiste vrouw der wereld voorzag. En Odysseus’ vrouw belazerde hem met een huis vol vrijers, zo noemde ze ‘t toch. En hij stierf met de held. Maar moest nu even lopen, hinkelend. Met een door een brandende, gepunte staak uitgestoken oog. Ze zijn oneindig mooi, woorden.
Blij verrast kon je haar niet noemen, maar ze leek het oprecht fijn te vinden hem te zien en ze luisterde geduldig naar zijn hijgerig vertelde verhalen. Af en toe schudde ze het hoofd, om zijn domheid waarschijnlijk, en prees hem voor zijn intelligentie. Ze leek telkens weer, als voor het eerst, geamuseerd door zijn heilig moeten. Ze zou erom glimlachen, als hij haar weer even ergens vond, en hem langs zijn wang strelen. Net genoeg om hem gerust te stellen, maar zonder hem te overtuigen van de juistheid van zijn keuze. En zonder woorden, die hij haar zou moeten gaan vragen, terwijl zij al weer liep.
Hij zag haar van achter. Haar lichte, zwierige loop met aan weerszijden bij het wisselen van het voorste been een lichte knik in de heup, een korte trilling van haar billen. Alsof ze het er om deed, maar soms is de natuur - op verlichte momenten - zichzelf. Veel mensen gebruiken hun benen om hun gewicht te dragen. Gabriella’s benen droegen haar niet, ze accentueerde haar. Ze waren geen middelen, maar de redenen, niet de instrumenten maar de muziek. Niet de woorden, maar het gedicht.
Roman werd zich zijn plaats pijnlijk duidelijk, zat neer naast zijn onmacht, op de leeg gelaten plek. Eerste rang, dat wel, en dichter bij zijn podium.
De jurk die ze droeg was zo Spaans als haar omgeving (zij paste overal, zonder moeite, de randvoorwaarden waren haar slaven): blauw met niet te grote niet te kleine witte stippen. De jurk liet haar frêle schouders vrij en tekende de lijnen van haar lichaam tot net boven de knie. Niemand liep zo makkelijk op hoge hakken als zij. Elk ander schoeisel zou haar elegantie onwaardig zijn, ondanks blaren onder haar hak, ondanks bloed tussen haar tenen.
Hij moest haar volgen, zoals gewoonlijk met geen idee waarheen. Ze liet hem graag in het ongewisse.
Zijn irritatie zalfde ze met haar ogen, waarmee ze hem over haar schouder aankeek. Het leek op verdriet, maar kon slechts liefde zijn. Hij volgde het spoor van haar geur, met een geforceerde pas, waarmee hij haar ternauwernood inhaalde.
Hij rookte 20 sigaretten in een uur, met lange zuigende trekken tot diep in zijn longen, verdunde met sangria zijn bloed, at zijn vette, zilte paëlla, terwijl het water van de Middellandse zee hem bijna in de schoenen spoelde, de warmte in zijn botten bleef, en toen ze het vroeg, vertelde hij haar, de leugenaar, het gaat mij goed!
Ze sprak van haar veel te volle leven en de tijd die er niet was. Hij luisterde zonder te verstaan, naar haar stem. Hij las haar lippen. Hij probeerde naar haar ogen te kijken, door de zonnebril die ze ondanks het de invallende duisternis nog droeg. ‘Je kent mijn ogen toch?’, vroeg ze niet vragend.
Onder tafel had hij zijn knie tegen haar been gesmokkeld. Ze vond het best. Af en toe legde ze tussen haar woorden haar hand op zijn arm. En dan wist hij dat ze liegde (loog).
De hoge, ruime lobby van het hotel was leeg. En koel. De nachtreceptionist had zijn post gelaten.
De marmerige tegels glansden het discrete licht, gaven elk geluid zijn maker duizend maal terug, als een herinnering voor later. Zij absorbeerden geen verantwoordelijkheid. Horen, zien en zwijgen. Als eunuchs van de keizerin, met versteende gewaden.
Ze draaide ze zich naar hem toe, met een milde, vermoeide glimlach.
‘Stap voor stap, Roman,’ fluisterde ze, zuchtend, terwijl ze zich tussen zijn armen liet.
Hij kuste haar op de wangen, waartussen haar mond. Zijn mond. Als parende naaktslakken. Maar dan sneller. Hij voelde haar tong rond de zijne draaien. Maar vooral de smaak. De smaak bleef. Paëlla, sangría, sigaretten en - bij het van elkaar glijden van hun lippen, met het laatste puntje van zijn bovenlip voor een moment plakkerig op het dikste deel van haar onderlip - de dood. Zo noemde hij het maar, als er geen woord voor was.
Ze deed een stap achteruit. Hij kon haar gezicht nog net tussen zijn handen houden. Hij deed haar haar naar achter. Haar blonde haar, haar zwarte haar. Ze haalde zijn handen van haar gezicht en nam nog wat afstand, zodat hij haar beter kon zien. Ze was klein. Haar gezicht was zacht. Zacht en paarsig, grijzig, zonder veel detail. Ze was veranderd.
‘Weet je, Roman?’ sprak ze zacht ‘ik ben Gabriella niet. Je kent me niet.’
Het verbaasde hem niet meer. Hij nam haar zoals ze kwam. Iedere vrouw kon smaken als zij. Of zij kon smaken als iedere vrouw. En dat was het.
Daar stond hij: op straat, in een onbekende stad, 1500 km van huis.
Maar de nacht was warm, wijds, gastvrij en vriendelijk.
Roman gromde en glimlachte en ging. Op zoek naar het station.
Hij zat op een bankje op het perron. In de nacht, in het donker, met de zich tegen het enige licht stuk vliegende insecten. Hij had er zo vaak gezeten. Zolang het maar niet koud was. Met een café solo en een Fortuna. Ze legden een stevig fundament onder de aanstaande nieuwe dag. Een ondergrond waarop hij kon staan. Een roestige ijzeren rijplaat op het gelige, borrelende moeras van de vorige nooit afgesloten dag. De dag die dus nog eeuwig zou blijven duren. Onder al het andere. Onder de uren, onder de dagen, onder de weken, onder de maanden, onder de jaren.
Het maakte hem aards en zielsbedroefd. Tussen alle ijle en ongrijpbare werkelijkheden.
Roman’s drank was weer eens op. Gelukkig was er de buurvrouw. Iets bedremmeld vroeg hij het haar.
Soms is het leven mooi en voorspelbaar. Ze had nog wijn. ‘Frans of Spaans?’ lachte ze hem uit.
Vrouwen zijn een complot.
Vino tinto, De Muller, 2008, Tarragona. Denominació d’origen.
Vrouwen zijn toverkollen.
Met hun brouwsel,
Dat hij dronk, in de deuk, in het kussen, op zijn bank, in zijn huis.